Encyclopedie: Wichelroede

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen
Instrument voor het opsporen van onderaardse waterstromen (wateraders) of ertslagen, meestal een gevorkte tak of een in een lus gelegde ijzeren draad.
Door: Van de Webredactie | Geplaatst: 30 apr 2009 | Laatste Wijziging: 16 aug 2016

De los in de hand gehouden wichelroede zou op de juiste plaatsen 'uitslaan' (gaan stijgen of dalen) dankzij de paranormale gave van de wichelroedeloper. Ook worden wel metalen draden gebruikt die in een L-vorm gebogen zijn en waarvan de korte stukken verticaal in de handen gehouden worden. De essentie van elke wichelroede is dat hij door minieme bewegingen van stand kan veranderen.

Experimenten waarbij paranormale vermogens van wichelroedelopers werkelijk kritisch op de proef worden gesteld, zijn niet eenvoudig op te zetten, aangezien deze proefpersonen terugschrikken voor kunstmatige tests (bijvoorbeeld het opsporen van een voorwerp in een serie gesloten schoenendozen), terwijl ze bij tests in de vrije natuur mogelijk goed scoren doordat ze (onbewust) gebruikmaken van hun kennis van de structuur van het landschap. Ook het begraven van voorwerpen of het ingraven van waterleidingen in de vrije natuur zonder sporen achter te laten is erg lastig. Desondanks is er redelijk veel onderzoek naar dit fenomeen verricht, en daaruit blijkt dat het wichelroedelopen, voorzover er geen sprake is van bedrog, gebaseerd is op het psychologische fenomeen *dissociatie.

Het wichelroedelopen is waarschijnlijk ontstaan in Midden-Europa, tegen het einde van de middeleeuwen. Een van de eerste verwijzingen naar deze praktijk is te vinden in het standaardwerk De re metallica van de Duitse mijnbouwkundige *Agricola (die er overigens niets in zag). Rond 1900 werd het wichelroedelopen populair, dankzij de Franse priester Alex Bouly, die ook de alternatieve aanduiding radiësthesie verzon, samengesteld uit de Griekse termen voor 'straling' en 'waarnemen'.

Rond het begin van de 20ste eeuw waaide het wichelroedelopen vanuit Duitsland naar ons land over. In 1915 testte D. van Gulik, docent aan de Landbouwhogeschool te Wageningen, enkele wichelroedelopers op het hogeschoolterrein. Hij merkte op dat ze bij het bepalen van de ligging van waterleidingen goed rekening hielden met de posities van kranen in de gebouwen, en ook gevoelig waren voor de onbewuste aanwijzingen gegeven door omstanders die wisten waar de leidingen lagen (ze gedroegen zich als het ware als het 'rekenende paard' *Slimme Hans). Een tweede test, waarbij ze vast moesten stellen of het water al dan niet stroomde, leverde een negatief resultaat.

Eind jaren 1940 bereikte de belangstelling voor verschijnselen als *aardstralen en wichelroedelopen in Nederland weer een hoogtepunt, vooral dankzij de agressieve verkoopmethoden van de paranormaal genezer J.G. Mieremet, een leerling van baron von Pohl. Mieremet spoorde met behulp van de wichelroede 'kankerhuizen' op en smeerde de slachtoffers zijn eigen aardstralenkastjes aan. Ook boeren werden het slachtoffer van zijn praktijken, vooral als ze te kampen hadden met ziekte (aardappelaaltjes) in het gewas of bij het vee.

Zowel in 1948 als in 1952 bogen leden van de Koninklijke Akademie voor Wetenschappen zich over deze materie. In 1948 werden wichelroedelopers getest, zonder positief resultaat. In 1952 waren de kastjes van Mieremet aan de beurt. In het eindrapport, Onderzoek naar de betekenis van de wichelroede voor de landbouw (1955), werd uiteindelijk ook daarmee de vloer aangeveegd.

In 1989 publiceerden de Münchense hoogleraren Hans-Dieter Betz (geb. 1940) en Herbert L. König (1925-1996) de studie Erdstrahlen? – Der Wünschelruten-Report, dat veel publiciteit trok, maar erg onvolledig en ondoorzichtig was, en methodologisch zwak in elkaar stak. In reactie hierop voerde de Duitse skeptische organisatie GWUP in samenwerking met een tv-maatschappij een veel eenvoudiger test uit, waarbij wichelroedelopers moesten vaststellen of het water in een bepaalde buis stroomde of niet, en of er in een serie van tien dozen ergens een stuk metaal was verborgen. De organisatie kon de door haar uitgeloofde beloning, 20.000 mark, in eigen zak houden. Later bekritiseerde de Duitse psycholoog Suitbert Ertel (geb. 1932) de proeven van de GWUP. Door een enorm gecompliceerde berekeningsmethode slaagde hij erin 'meer dan' te verwarren met 'ten minste evenveel als' en zo elke wichelroedeloper een extra treffer toe te kennen, en toen was het resultaat plots 'significant'. De GWUP trapte er niet in.

Geruime tijd daarna bekritiseerde de Amerikaanse onderzoeker Jim Enright het meest succesvol verlopen onderdeel van de proeven van Betz en König. Dit waren proeven die in een schuur gedaan waren. Daarop kwam Ertel alweer met een waanzinnig gecompliceerde berekening, waaruit zou moeten volgen dat de aardstralen door het dak van de schuur werden teruggekaatst. Ook hier veegde Enright de vloer mee aan, maar niettemin verspreidde Betz het gerucht dat Enright al zijn bezwaren had teruggetrokken (omdat Enright correspondentie over de details van Ertels berekening had gestaakt).

Wateraders

Sommige wichelroedelopers specialiseren zich in het zoeken naar water. Zij denken dat water zich in ondergrondse waterstromen beweegt, in aders die in breedte kunnen variëren van een potlood tot een rivier. Dit klopt alleen in heel speciale omstandigheden, en dan nog maar gedeeltelijk. Kristallijne rots zoals graniet is doorsneden door een netwerk van barsten en spleten (geen aders) waar het ondergrondse water doorheen sijpelt. Als je een gat boort en je treft water, dan kan het best zijn dat je een klein eindje verderop al veel dieper moet boren om water te krijgen. Met andere woorden, daar kan men niet van een ondergronds waterniveau spreken. In kalksteen kunnen ondergrondse rivieren ontstaan en zelfs complete grotten met meren.

In een gebied als Nederland is er helemaal niets wat lijkt op scherp begrensde stromen van ondergronds water. Integendeel, het grondwater vormt een min of meer vlakke laag en is overal aanwezig.

Wichelroedelopers die beweren dat ze water kunnen opsporen worden vaak geraadpleegd in situaties waar het moeilijk is om water te vinden, bijvoorbeeld waar de ondergrond uit graniet bestaat of waar het droog is. In Nederland is weinig behoefte aan watervinders. De betekenis van wateraders hangt samen het effect dat ze op de gezondheid (*aardstralen) zouden hebben. De aders zouden om onduidelijke redenen hun verderfelijke invloed alleen exact loodrecht naar boven uitstralen.

Het is niet duidelijk waar het idee vandaan komt dat ondergronds water zich in aderen zou bewegen. Ook in de VS is dit idee wijdverbreid.

Literatuur

Berg, R. van den, 'De twijg slaat weer uit', Skepter 1997, vol. 10 (1), p. 7-8.
Betz, H.-D., e.a., 'Dowsing reviewed; the effect persists', Naturwissenschaften 1996, vol. 83, p. 272-275.
Enright, J.T., 'Water dowsing; the Scheunen experiments', Naturwissenschaften 1995, vol. 82, p. 360-369.
Enright, J.T., 'Dowsers lost in a barn', Naturwissenschaften 1996, vol. 83, p. 275-277.
Ertel, S., 'Reanalyse des Kasseler Wünschelruten-Tests der GWUP', Skeptiker 1992, vol. 5 (3), p. 69-72.
Ertel, S., 'The dowsing data defy Enright's unfavorable verdict', Naturwissenschaften 1996, vol. 83, p. 232-235.
Gardner, M., Fads and fallacies in the name of science. 2de dr. New York, 1957.
Kasteleyn, E.W., Wetenschappelijk onderzoek wichelroedelopen en geopathie. Leusden, 1993.
König, R., J. Moll, en A. Sarma, 'Wünschelruten-Test in Kassel', Skeptiker 1991, vol. 4 (1), p. 4-10.
König, R., J. Moll, J. Randi, en A. Sarma, 'A test of dowsing claims in Kassel'. In: Nienhuys, J.W., (red.), Science or Pseudo? The Mars effect and other claims (Euroskeptics conference proceedings). Utrecht, 1992.(b).
König, R., M. Körkel, en A. Sarma, 'Schlusswort zum Kommentar von Suitbert Ertel über den Wünschelrutentest der GWUP in Kassel', Skeptiker 1992a, vol. 5 (3), p. 73-74.
Manne, R., e.a., 'Wünschelruten' (zeven artikelen), Skeptiker 1989, vol. 2 (4), p. 4-25.
Rocard, Y. La science & les sourciers. Parijs, 1989.
Smith, D., 'Two tests of divining in Australia', Skeptical Inquirer 1982, vol. 6 (4), p. 34-37.
Vogt, E.Z., en R. Hyman, Water witching U.S.A.. Chicago, 1979, 2de dr.


Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen, door Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys (vierde herziene druk, De Geus, 2002).

Naschrift maart 2010
Het fenomeen 'wichelen' is nauw verbonden met 'pendelen' en allerlei andere vormen van het ideomotorisch effect, dat al door psycholoog *Carpenter werd onderzocht. Meer in het bijzonder is waarschijnlijk *elektroacupunctuur ook een variant van het ideomotorisch effect. Het artikel van de hierboven aangehaalde Hyman over het ideomotoreffect is buitengewoon de moeite waard. Hij vermeldt terecht dat ook *toegepaste kinesiologie, *faciliated communication en zelfs sommige *qigong-verschijnselen, alsmede diverse voorlopers van elektroacupunctuur (*Drown, *Abrams) ook voorbeelden zijn van het ideomotoreffect.

 

 

Lees ook