Encyclopedie: Frenologie

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen
Een vorm van *craniometrie waarbij men geestelijke en karaktereigenschappen tracht vast te stellen aan de hand van uitstulpingen op de schedel.
Door: Van de Webredactie | Geplaatst: 30 apr 2009 | Laatste Wijziging: 16 aug 2016

Dat het uiterlijk van een mens iets zegt over zijn of haar innerlijk, behoort tot de oeroude volkswijsheden, en werd al in de 17de en 18de eeuw uitgewerkt in de *metoposcopie en de *fysiognomiek. De frenologie dateert van het eind van de 18de eeuw. Grondleggers waren de Weense arts Franz-Joseph Gall (1758-1828), die zich baseerde op schedelmeters als Johann Lavater (1741-1801) en Peter *Camper (1722-1789), en, in mindere mate, zijn leerling Johann Christoph *Spurzheim (1776-1832).

Gall was aanvankelijk een vooraanstaand neuroanatoom. Hij was de eerste die onderscheid maakte tussen de 'grijze' materie in de hersenschors en de witte materie dieper in het brein, en hij ontdekte ook dat de zenuwbanen elkaar kruisen, met als gevolg dat het linkerdeel van het brein het rechterdeel van het lichaam bestuurt, en vice versa.

Op een zekere dag meende Gall ook op te merken dat intelligente mensen altijd grote ogen en een heldere oogopslag hebben. Hij constateerde dat de 'intelligentie-organen' blijkbaar direct achter de ogen zaten. Hij begon aan een uitgebreid programma van onderzoek, inclusief anatomisch onderzoek aan de hersenen van mens en dier. Uiteindelijk identificeerde hij 27 verschillende mentale eigenschappen die hij allemaal een plaats toewees in de hersenen.

Grosso modo waren er twee groepen: de gevoelens en de intellectuele vermogens. De eerste groep viel uiteen in 'neigingen' en 'sentimenten'. Neigingen waren bijvoorbeeld de behoefte in groepen te leven en de behoefte aan seks. Deze hadden we met de dieren gemeen, en waren gesitueerd aan de onderkant van het brein. Hogere neigingen als hoop, fantasie en nauwgezetheid waren aan de bovenkant te vinden. De intellectuele vermogens vielen uiteen in de 'lagere' categorie kennis (ook bij dieren aanwezig) en de hogere 'denk'-categorie, waaronder zaken vielen als vergelijken, gevoel voor humor en het taalvermogen. Die eigenschappen zaten dus voorin in het menselijk brein.

Een geoefend frenoloog kon aan de hand van schedelmetingen vaststellen hoe het met deze eigenschappen gesteld was. Gall en Spurzheim waren in het begin van de vorige eeuw beiden enthousiaste verkondigers van deze nieuwe wetenschap, maar na 1813 scheidden hun wegen. Gall vestigde zich in Parijs, Spurzheim ging naar de VS, waar hij de frenologie uiteindelijk verkocht als een praktische techniek voor partner- en beroepskeuze. Oorzaak van de breuk was een meningsverschil over de eigenschap 'slecht'. Volgens Gall had het Kwaad zijn eigen plaatsje in het brein (en was de mensheid dus behept met zoiets als de erfzonde), maar volgens de meer optimistische Spurzheim was slecht of misdadig gedrag slechts het gevolg van een onevenwichtige ontwikkeling van bepaalde eigenschappen.

In Engeland bereikte de frenologie, dankzij het immens populaire boek The constitution of man (1828, van de Schot George Combe (1788-1858), een leerling van Spurzheim) een ongekende populariteit. In Frankrijk lieten beroemdheden hun schedel opmeten en luisterden aandachtig naar Galls vleiende analyses. De beroemde schilder Jacques-Louis David (1748-1825) gaf de schedels van zijn opdrachtgevers en modellen de juiste 'knobbels' om hun kwaliteiten te benadrukken.

De frenologie was in detail onjuist, maar de achterliggende gedachte sprak velen aan, namelijk dat 'hogere' geestelijke functies een materiële basis hebben. De aanhangers waren uitgesproken progressief. Ze pleitten voor verbeteringen in opvoeding, onderwijs en openbare gezondheidsvoorzieningen, voor hervormingen van het strafrecht en voor verbeteringen in de krankzinnigenzorg. Tegenstand tegen de frenologie kwam van personen die beducht waren voor atheïsme en het daaruit voortvloeiende zedenverval. De frenologie was de belangrijkste vorm van wetenschappelijk naturalisme voor de komst van de evolutietheorie van *Darwin.

In de loop van de 19de eeuw ondervond de frenologie steeds meer concurrentie van andere vormen van *craniometrie, maar bekende geleerden als James *Braid (de man die de term *hypnose bedacht) en Cesare *Lombroso waren nog diepgaand door haar beïnvloed. Pas tegen het eind van de 19de eeuw kon de frenologie, dankzij Alfred *Binet en zijn *IQ-test, definitief naar het vuilnisvat der geschiedenis worden verwezen. Slechts de wiskunde- en de talenknobbel herinneren er nog aan.

Literatuur
Draaisma, D., De metaforenmachine. Groningen, 1995.
Young, R.M., 'Gall'. In: Gillispie, C.C., (red.), Dictionary of scientific biography. New York, 1970-80.

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen, door Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys (vierde herziene druk, De Geus, 2002).

Naschrift augustus 2009

Het Museum of Questionable Devices bezit een fantastische machine, de Psycograf. Dit is een 20ste-eeuwse machine die automatisch een schedelmeting uitvoert en een gedrukte analyse produceert.

Een wat uitvoeriger Nederlandse uiteenzetting over de frenologie is van de hand van David Das. Wikipedia en de Skeptic Dictionary hebben beide een bijdrage over frenologie, en een artikel van Renato M.E. Sabbatini, getiteld Phrenology: the History of Brain Localization is ook interessant.

 

 


 


 

 

 

 

 

Lees ook