Door: Rob Koene | Geplaatst: 04 juli 2006

De zouttherapie van Kees Boegem

Veel patiënten met kanker moeten behandeld worden met kankerremmende geneesmiddelen (cytostatica) om de kankercellen (tumorcellen) uit te roeien.

Wij berichtten al eerder over het merkwaardige idee van Kees Boegem dat door gelijktijdige toediening van extra keukenzout (natriumchloride, NaCl) aan patiënten met kanker de werkzaamheid van zo’n behandeling met cytostatica spectaculair kan stijgen. De behandeling zou daardoor effectiever worden en er zouden dus lagere doseringen van cytostatica nodig zijn om hetzelfde effect te bereiken.

Boegem denkt dat tumorcellen met een hoge agressiviteit, en dus hoge activiteit, een grotere behoefte aan vocht kunnen hebben dan normale cellen. Zouttoediening in het vocht buiten de tumorcellen kan extra vocht aan deze cellen onttrekken, waardoor de cellen enigszins uitdrogen en daardoor in hun groei geremd worden. Zijn veronderstelling is gebaseerd op bevindingen in het laboratorium dat toevoegen van extra zout aan tumorcelkweken het tumordodend effect van de cytostatica zou versterken. Hij liet zelf via zijn Stichting Sergio onderzoek doen door Dr. U. Vogt, biochemicus in Ibbenbüren, Duitsland. Een samenvatting hiervan is te vinden in het artikel Onderzoeksresultaten naar de werking van NaCl (keukenzout) op borst- en longkanker op de website van de Stichting Sergio.

 

Is Boegem een miskende pionier?

Boegem die zich op de website van Sergio als een pionier in de gezondheidswetenschap laat betitelen, beklaagt zich erover dat niemand in de Nederlandse wetenschappelijke wereld zijn unieke idee serieus wil onderzoeken. De medische wetenschap zou zijn resultaten ‘op onduidelijke gronden afdoen als nietszeggend’.

Hier leggen wij uit waarom het voorstel van Boegem onbruikbaar is. Wij baseren ons op het uitgebreide verslag van het laboratoriumonderzoek in Iddenbüren dat Boegem aan verschillende oncologen en medische instellingen toestuurde en op de voorstellen over zouttoediening bij kankerpatiënten, die Boegem op grond van die resultaten doet.

 

Wat waren de resultaten in de tumorcelkweken in Iddenbüren?

In eerste instantie werd nagegaan wat er gebeurde als aan een kweek van tumorcellen van patiënten met borstkanker extra keukenzout (NaCl) werd toegevoegd. De standaardkweekvloeistof bevatte 0,35% NaCl. Deze concentratie werd door toevoeging van zout verhoogd tot respectievelijk 0,65%, 0,9%, 0,99% en 1,035%. Bij deze concentraties werden ‘geen meetbaar effect op de celgroei’ gezien. Uiteindelijk werd gekozen voor een nog hogere concentratie van 1.25% NaCl, dus bijna viermaal hoger dan het oorspronkelijke keukenzoutgehalte. Voor het overige bleef de samenstelling van de kweekvloeistof onveranderd. Met deze eindconcentratie werden de proeven gedaan.

In de kweken met het verhoogde zoutgehalte, maar nog zonder de cytostatica (de zg. blanco’s), bleek de groei van de tumorcellen al minder dan bij het standaard zoutgehalte. Dat is niet onverwacht, want zo’n hoge zoutconcentratie in een celkweek zal op zich al celbeschadiging veroorzaken, omdat de cellen hierdoor uitdrogen. Hoe groot die celsterfte precies was wordt niet vermeld. In de figuren in het verslag is dat ook niet te zien, omdat alleen procentuele tumorremmingen worden getoond.

Het onderzoek toont nog meer onvolkomenheden. Over de reproduceerbaarheid van de proeven wordt niets gezegd en een statistische bewerking ontbreekt. De resultaten bij 1 van de 4 patiënten met borstkanker kloppen niet met die van de 3 anderen. Bij het testen van de tumorcellen van patiënten met longkanker is het effect volgens het verslag ‘minder eenduidig’. Publicaties van het onderzoek zijn er niet. Dat kan ook moeilijk, want elk behoorlijk wetenschappelijk tijdschrift zal dit onderzoek rechtstreeks naar de prullenmand verwijzen.

De verklaring die Boegem geeft voor de tumorremming is hoogst wonderlijk: er zou een verhoogde (passieve) instroom van cytostatica in de tumorcel ontstaan door de verhoogde osmotische waarde van het medium. Inderdaad stijgt door de toevoeging van keukenzout de osmotische waarde van het medium. Hierdoor ontstaat er een verhoogde waterstroom uit de cel. De cel droogt dus uit. Dat daardoor de instroom van cytostatica tegen de waterstroom in zou toenemen is niet inzichtelijk.

 

Patiëntenbehandeling

Aanvullende dierproeven vindt Boegem niet nodig. Hij vindt de effecten in de kweken duidelijk genoeg. De waarde van zijn zouttherapie moet onmiddellijk bij patiënten onderzocht worden. Het belang van zijn bevinding voor kankerpatiënten is immers groot.

Zijn plan is om patiënten 15 gram extra zout toe te dienen om ‘het zoutgehalte in het bloed te verhogen tot het gewenste niveau’. Dat zal dus 1,25% moeten zijn.

Het menselijk lichaam bestaat voor ongeveer 60% uit water. Een stabiele verhouding tussen water en zouten in het lichaam is noodzakelijk voor vrijwel alle lichaamsfuncties. Het lichaam beschikt over effectieve functies om die water-en zoutbalans constant te houden. De belangrijkste zijn het dorstmechanisme (om watertekort te voorkomen) en de nieren die zorgen voor de uitscheiding van overtollig water en zout. Normale nieren kunnen bijvoorbeeld per dag tot 45 g opgenomen keukenzout uitscheiden, maar anderzijds kan bij een zouttekort de zoutuitscheiding tot vrijwel 0 dalen. Bij watertekort ontstaat er onmiddellijk dorst en wordt via drinken het tekort zeer snel aangevuld.

In celkweken bestaan die compensatiemechanismen natuurlijk niet en daar kan zouttoevoeging leiden tot belangrijke verstoringen in de water- en zoutbalans. Bij de mens zal dit veel moeilijker zijn.

 

Een vereenvoudigde rekensom

Als we nu eens even afzien van die compensatiemechanismen en net doen alsof bij toediening van zout aan een patiënt precies hetzelfde zou gebeuren als in de celkweek

dan laat een vereenvoudigde rekensom zien wat er zou gebeuren.

Keukenzout (NaCl) bestaat in een oplossing uit positief geladen natrium-ionen en negatief geladen chloride-ionen. Voor de duidelijkheid beperken we ons tot de natriumionen. Natriumionen kunnen de cel nauwelijks in en zitten dus vrijwel geheel in het water buiten de cellen. Zij bepalen daardoor voor 95% de osmotische waarde van het extracellulaire water, d.w.z. als het natriumgehalte stijgt stroomt er water uit de cellen. Het volume van het extracellulaire water bij een normale vowassene is ongeveer 15 L (20% van het lichaamsgewicht). Stel: ik heb een emmer met 15 L extracellulair water waarin het natriumgehalte 140 mMol/L is (zoals in normaal bloedplasma) en ik voeg daar volgens het plan van Boegem 15 g zout aan toe. Dat leidt in die emmer tot een concentratiestijging met 1g NaCl per liter overeenkomend met 17 mMol natrium per liter. Het natriumgehalte in het water stijgt dus tot 157 mMol/L. Dat is een stijging van de effectieve osmotische waarde met een factor 1,1. In de kweekexperimenten van Vogt werd de Na-concentratie verhoogd van 60 naar 212 mMol/L, een stijging met een factor 3,5. Bij de patiënt worden dus de zoutgehalten die in de kweek nodig zijn om enig effect te hebben op de celgroei bij lange na niet gehaald.

 

 

De gevaren van de behandeling

Een acute verhoging van het natriumgehalte tot 157 mMol/L in het bloed komt wél gevaarlijk dicht in de buurt van de waarde van 158 mMol/L waarboven hersenbeschadiging kan ontstaan, met als mogelijke gevolgen sufheid, epileptische aanvallen, coma of hersenbloedingen. Dat zal in het algemeen niet gebeuren, omdat de patiënt door de cellulaire uitdroging onmiddellijk ondragelijke dorst krijgt en gaat drinken. Daarnaast gaan de nieren minder water uitscheiden. Als Boegem dit onderzoek met patiënten wil gaan doen dan zal hij ze toch eerst in volledige narcose moeten laten brengen, zodat ze niet kunnen toegeven aan hun dorstprikkel. Bij ernstig zieke patiënten die onvoldoende drinken, is het gevaar van te hoge natriumwaarden echter niet denkbeeldig.


Conclusies

– De resultaten van de kweekexperimenten zijn niet interpreteerbaar en dus inderdaad ‘nietszeggend’.

– Toepassing van zouttherapie bij patiënten zal niet leiden tot de bedoelde, hoge zoutconcentraties.

– Acute zouttoediening bij zieke patiënten is geen onschuldige behandeling.

Elke van deze conclusies is op zich al ruim voldoende om dit voorstel van Boegem als waardeloos te bestempelen. Het is dan ook geen wonder dat er geen medisch deskundigen te vinden zijn die zijn idee willen onderzoeken.

 

Nieuwsbrief

De Digitale Nieuwsbrief van de VtdK houdt u regelmatig op de hoogte van nieuwe artikelen op deze site.

Rob Koene

Prof.dr. R.A.P. Koene (1938) studeerde geneeskunde aan de KU te Nijmegen. Van 1965 tot 1969 volgde hij de opleiding tot internist in het Sint-Radboudziekenhuis te Nijmegen. In 1969 en 1970 werkte hij in het Massachusetts General Hospital te Boston, alwaar hij zich verder bekwaamde in de klinische Nierziekten en laboratoriumonderzoek deed op het gebied van de transplantatie. In 1980 werd hij benoemd tot hoogleraar in de Nefrologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Van 1982 tot 2001 was hij hoofd van de afdeling Nierziekten van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud te Nijmegen en van 1992 tot 1999 tevens voorzitter van de Cluster Inwendige Specialismen. Van 1974 tot 1987 was hij voorzitter van de Transplantatie Werkgroep Nederland en van 1984 tot 1988 voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Nefrologie. Hij heeft wetenschappelijk onderzoek verricht op de volgende terreinen: transplantatie-immunologie, klinische transplantatie, experimentele glomerulonefritis, erytropoëtine en hypertensie.

Gerelateerde artikelen

artikelen - 09 januari 2019

De Groene Zuster suggereert dat zijn onwetenschappelijke thermografie een alternatief zou zijn voor een mammografie.

artikelen - 21 juni 2018

Kwakzalver Van der Meulen probeert mensen te overtuigen dat aandoeningen als borstkanker en diabetes worden veroorzaakt door een oud trauma.

artikelen - 19 juni 2017

Hoewel er geen wetenschappelijk bewijs voor is, blijft gezondheidscoach Marjolein Dubbers beweren dat thermografie beter is dan mammografie.