Sociologen kruipen in huid van alternatieve geneeskundegebruikers

Recent sociologisch onderzoek gaat dieper in op de houding van gebruikers van alternatieve geneeskunde en hun ideeën over het paranormale.
Door: Jaco Berveling | Geplaatst: 9 apr 2021 | Laatste Wijziging: 9 mei 2021

De meeste Nederlanders gaan met gezondheidsklachten naar de reguliere huisarts; een klein deel zoekt zijn heil bij alternatieve genezers. Wie zijn deze mensen en waarin verschillen ze van de patiënten die voor de reguliere zorg kiezen? Sociale wetenschappers kijken bij deze vraag al heel lang naar achtergrondkenmerken, zoals sekse en opleiding. Recent onderzoek gaat dieper in op de attituden van deze patiënten en hun ideeën over het paranormale.

We weten veel over de achtergrondkenmerken van patiënten die zich wenden tot alternatieve genezers. Cees Renckens heeft de kenmerken recent nog in Met het vizier op Kackadoris. Kroniek van de hedendaagse kwakzalverij op een rijtje gezet. Er wordt daarbij onder andere gekeken naar sekse, leeftijd en opleiding.

De liefhebber kan het allemaal vinden in Statline van het CBS (Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken). Uit recente CBS-cijfers blijkt dat veel meer vrouwen zich door een alternatieve arts laten behandelen (in 2020 7%) dan mannen (3,4%). Dit geldt ook voor hoger opgeleiden versus lager opgeleiden. Van de mensen met het onderwijsniveau ‘vmbo, mbo1, avo onderbouw’ zocht in 2020 3,8% zijn heil bij de alternatieve arts, terwijl van de hoger opgeleiden (onderwijsniveau ‘hbo, wo bachelor’) 8,8% dit deed. Ook leeftijd doet ertoe. Van de groep in de leeftijd van 50-55 jaar stapte 8,8% een alternatieve praktijk binnen, terwijl van de 75-plussers maar 3,5% in de wachtkamer plaatsneemt.

Kortom, vertel me iemands geslacht, leeftijd en opleiding en ik vertel je of hij of zij zich tot de alternatieve geneeskunde aangetrokken voelt.

Toch is met die achtergrondkenmerken het hele verhaal niet verteld. Er komt steeds meer onderzoek beschikbaar waarin wetenschappers niet alleen kijken naar sekse, leeftijd en opleiding, maar ook naar de attituden en visies van mensen. Hoe kijken de gebruikers van alternatieve geneeskunde naar de wereld, welke levensovertuiging hebben ze en waar geloven ze in? Sociale wetenschappers richtten zich op specifieke attituden van deze mensen en hun mening over, en het gebruik van, paranormale praktijken.

Geloven in spirituele ervaringen en holisme

Er zijn de nodige studies gedaan naar de attituden van de gebruikers van complementaire en alternatieve geneeskunde (CAG-gebruikers). De onderzoekers maken meestal een onderscheid in ‘complementair’ en ‘alternatief’ omdat het in sommige opzichten om verschillende groepen gebruikers gaat. Binnen de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK) wordt een term als ‘complementair’ overigens beschouwd als eufemisme en identiek aan ‘alternatief’.

Het ligt voor de hand dat de mensen die voor het alternatieve circuit kiezen een levenshouding hebben die daarbij past. In 2007 probeerden Britse onderzoekers uit de op dat moment beschikbare studies naar attituden een rode draad te halen.

Ze constateerden onder andere dat de mensen die zich wenden tot alternatieve geneeswijzen zich ook aangetrokken voelen tot spiritualiteit en dat ze geloven in zoiets als ‘persoonlijke groei’. Ze hebben een ‘holistische’ levensvisie (grofweg het idee dat lichaam en geest nauw met elkaar verbonden zijn en dat het mogelijk is om spirituele ervaringen te hebben).

De holistische huisarts

Deze holistische levenshouding vinden we ook bij alternatieve genezers. Wetenschappers noemen dat wel ‘philosophical congruence’: patiënt en arts zitten qua ideeën op één lijn. Dit blijkt ook uit Nederlands kwalitatief onderzoek. Nadine Raaphorst, indertijd verbonden aan de Erasmus Universiteit, tegenwoordig werkzaam bij de rijksuniversiteit Leiden, interviewde enkele jaren geleden samen met Dick Houtman 19 Nederlandse antroposofen, acupuncturisten en homeopaten. Deze huisartsen werden benaderd via hun beroepsverenigingen, de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ), de Artsenvereniging voor homeopathie (VHAN), de Nederlandse Artsen Acupunctuur Vereniging (NAAV) en de Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke Geneeskunde. En twee jaar geleden interviewde Anne Knape (Universiteit Utrecht), voor haar masterscriptie ook alternatieve huisartsen, in dit geval 14 homeopaten. 

De motivatie van deze huisartsen om alternatieve geneeswijzen te gebruiken loopt uiteen, maar ze delen volgens deze twee studies een holistisch wereldbeeld. Zowel Raaphorst als Knape merkten dat de huisartsen op zoek zijn naar de ‘diepere oorzaken van ziekten’ en vinden dat je ‘breder’ naar ziekten moet kijken. De artsen zijn ervan overtuigd dat ‘een mens meer is dan wat je kan meten, wegen en tellen’ en ze vinden dat er meer is dan wij mensen kunnen waarnemen. Er zijn dingen die niet meetbaar zijn, zoals emoties, de geest en ‘energieën’.

Ze verwijzen naar ‘energieniveaus’ of de emotionele oorzaken van klachten (omdat, zoals een van de artsen het samenvatte, ‘99% van alle ziekten emotioneel bepaald zijn’). In hun ogen moet je een ziekte zien als een signaal waar je iets van kunt leren. Het is niet per definitie iets negatiefs. Je kunt er iets van leren voor je ‘persoonlijke en spirituele ontwikkeling’.

Verder kijken dan holisme

De manier van kijken van zowel de alternatieve huisartsen als de alternatieve consumenten wordt getypeerd als ‘holistisch’. De Hongaarse onderzoekster Szilvia Zörgő probeert daar een verdieping in aan te brengen. Zörgő is als gedragswetenschapper verbonden aan de Semmelweis Universiteit in Boedapest.

Zij doet in Hongarije al jaren zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek naar het gebruik van alternatieve geneeskunde. Zo observeerde en interviewde ze vier jaar lang patiënten en artsen in klinieken voor traditionele Chinese geneeskunde.

In haar kwantitatieve onderzoek enquêteerde ze inwoners van Boedapest over hun mening over complementaire en alternatieve geneeskunde en liet ze hen reageren op een stuk of 40 stellingen. Zo kon zij specifieke attituden in kaart brengen. Zörgő wil zich niet beperken tot het meten van concepten als ‘holisme’ of ‘spiritualiteit’.

Dat zijn, zeker voor leken, abstracte begrippen waar iedereen weer iets anders onder verstaat. Die theoretisch begrippen bieden geen concrete handvatten voor gedragsbeïnvloeding. En gedragsbeïnvloeding kan bij mensen die zich aangetrokken voelen tot alternatieve geneeswijzen van levensbelang zijn.

Szilvia Zörgő licht het toe: ‘Je moet een onderscheid naar ziekten maken. Een behandeling vanuit de complementaire en alternatieve hoek is niet altijd super slecht. Stel dat je verkouden bent en een zere keel hebt. Wanneer je dan thee met knoflook en honing drinkt, omdat je moeder je dat vroeger altijd gaf, is dat slecht? Nee, maar bij levensbedreigende ziekten is de inzet van alternatieve geneeskunde extreem gevaarlijk. Als een patiënt dan conventionele geneeskunde weigert, kan hij sterven.’

Zörgő wil het disfunctionele gebruik van alternatieve medicijnen voorkomen. Je zult dan wel in de huid van de gebruiker moeten kruipen en nagaan hoe hij of zij een keuze maakt. Zij is van mening dat het meten van ‘holisme’ dan niet volstaat. Je zult hun attituden veel concreter in kaart moeten brengen. Anders staan gedragsdeskundigen die interventies willen ontwikkelen nog steeds met lege handen.

De Vereniging tegen de Kwakzalverij ziet geen verschil tussen ‘complementair’ en ‘alternatief’. Szilvia Zörgő vindt daarentegen dat je ‘complementair’ en ‘alternatief’ niet op een hoop moet gooien. Zörgő: “De meeste onderzoekers behandelen ‘CAG’ als één groep. Ik vind dat je complementair van alternatief moet onderscheiden en ook goed moet kijken over welke ziekte het gaat. Mensen kunnen combinaties maken.

Ze gebruiken bijvoorbeeld conventionele medicijnen voor diabetes en alternatieve medicijnen voor, ik noem maar wat, huidproblemen. Je moet dus doorvragen om te weten over welk besluit mensen het hebben. Wil je het met een wetenschappelijke blik bekijken, dan zul je dat onderscheid moeten maken. Anders baseren we onze conclusies op een over gesimplificeerde manier van kijken.”

In haar kwantitatieve onderzoek onderscheidde Zörgő dan ook drie groepen. De eerste groep bestond uit mensen die kozen voor reguliere zorg, de tweede groep uit patiënten die de reguliere zorg aanvulden met alternatieve zorg (de complementaire groep) en een derde groep die voor het alternatieve circuit had gekozen.

De drie groepen bleken anders in het leven te staan, maar de complementaire en alternatieve gebruikers hadden wel veel gemeen. Uit de enquête blijkt dat de CAG-gebruikers vergeleken met de gebruikers van de reguliere geneeskunde er bijvoorbeeld vaker van overtuigd zijn dat het lichaam verweven is met een ‘(spiritueel) energetisch systeem’ en dat er zoiets als een ‘spirituele levenskracht’ bestaat, reïncarnatie mogelijk is, eeuwenoude remedies meer te vertrouwen zijn dan de moderne geneeskunde, elke ziekte waar we tijdens ons leven mee te maken te krijgen bedoeld is om ons iets te leren en je farmaceutische producten beter kunt vermijden.

Als het gaat om interventies geeft de Hongaarse onderzoekster aan dat je je bijvoorbeeld zou kunnen richten op het gebrek aan vertrouwen dat de CAG-gebruikers hebben in de reguliere geneeskunde. Uit de stellingen in de enquête blijkt dat ze meer vertrouwen hebben in ‘eeuwenoude’ en ‘traditionele’ remedies en dat ze met een ernstig symptoom niet zo snel naar een reguliere arts zullen stappen.

Geloven in het paranormale

Ook andere onderzoekers hebben zich recent verder verdiept in de attituden van CAG-gebruikers. De Duitse onderzoeker Henrik Abheiden van de Charité, een grote universiteitskliniek in Berlijn, ging met enkele collega’s na of er een verband is tussen geloven in alternatieve geneeskunde en het paranormale.

Abheiden keek, op basis van een uitgebreide Duitse Survey, zowel naar de mening over, als het gebruik van paranormale praktijken. En ook naar de mening over en het gebruik van alternatieve geneeskunde. De onderzoekers wilden weten welke factoren de houding en het gebruik van complementaire en alternatieve geneeskunde het beste verklaarden.

Abheiden onderzocht sociaal demografische variabelen (sekse, leeftijd, inkomen, et cetera), persoonlijke waarden en wereldbeelden en het wel of niet geloven in het paranormale. Zo vroeg hij de Duitse respondenten onder andere wat ze vonden van mysticisme, magie en occultisme, wichelroedelopen, astrologie, het voorspellen van de toekomst met tarotkaarten en spirituele genezers.

Het blijkt dat geloof in het voorspellen van de toekomst, wichelroedelopen en spiritualisme (en het toepassen van deze paranormale activiteiten) de beste voorspellers zijn voor de mening over en het gebruik van complementaire en alternatieve geneeskunde. De sociaal-demografische variabelen verklaren wel iets, en dan met name sekse en sociaal-economische status, maar zijn veel minder relevant dan de paranormale attituden. Het onderzoek sluit aan bij onderzoek in andere landen. Ook onderzoekers in Finland en België kwamen eerder al tot een vergelijkbare conclusie: wie in het bovennatuurlijke gelooft zoekt zijn heil eerder bij alternatieve genezers.

De nuchtere Nederlander?

De vraag blijft natuurlijk of dit ook geldt voor de nuchtere Nederlander. Nederlands onderzoek naar de relatie tussen geloof in het paranormale en het geloven in en gebruiken van alternatieve geneeswijzen ontbreekt vooralsnog. Wel weten we dat de nuchterheid van de Nederlander nogal tegenvalt. Joep de Hart van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) constateerde bijvoorbeeld dat een groot deel van de Nederlanders denkt dat het mogelijk is om via een medium in contact te treden met gestorvenen (in 2006 35%). Ook denkt een grote groep dat ons leven wordt beïnvloed door de stand van de sterren (in 2006 29%).

En het paranormale aanbod is in Nederland groot. Er vinden jaarlijks ongeveer 400 spirituele en paranormale beurzen plaats. Wie zo’n beurs binnenstapt, betreedt niet alleen de paranormale wereld van de handlijnkundigen, tarotkaartleggers en astrologen, maar ook de alternatieve genezers, waaronder magnetiseurs, iriscopisten, hypnotherapeuten, reïncarnatietherapeuten, klankhealers en masseurs. En vergeet de genezende edelstenen niet.

Het is de vraag of we het kwantitatieve onderzoek van Zörgő en Abheiden zomaar naar de Nederlandse situatie mogen vertalen. Het onderzoek laat in ieder geval zien dat het de moeite kan lonen om verder te kijken dan abstracte typeringen van CAG-gebruikers, zoals de holistische kijk die ze zouden hebben. Wie wil voorkomen dat CAG-gebruikers in levensbedreigende situaties terechtkomen moet abstracties loslaten en zich verdiepen in hun concrete denk- en leefwereld.

Dr. J. Berveling, socioloog, is wetenschapsjournalist

Lees ook