Science in public

Communication, culture and credibility
Academische beschouwing over de moeilijke relatie tussen wetenschappers en journalisten.
Door: C.N.M. Renckens | Geplaatst: 6 sept 2001 | Laatste Wijziging: 14 feb 2016
Auteurs: Jane Gregory & Steve Miller
Uitgeverij: Plenum Trade, New York en Londen, 1998
ISBN 0-306-45860-8. 294 bldz. Prijs ca. € 27,30.

Over de gespannen relatie tussen wetenschap en pers is alweer enkele jaren geleden een interessant boek verschenen van de hand van twee Londense academici met een grote ervaring in zowel de wetenschap als in de wetenschapsjournalistiek: Science in public. Communication, culture and credibility. De eerste auteur, Jane Gregory, studeerde natuurkunde en wetenschapsgeschiedenis en was hoofdredacteur van het Journal Public Understanding of Science en doceert aan het University College te Londen, de tweede, Steve Miller, is lector wetenschapscommunicatie en sterrenkunde aan dezelfde universiteit en schrijft veel populair-wetenschappelijke artikelen. Het boek brengt de wetenschapper begrip bij voor de positie van de journalist, maar stemt niet erg optimistisch.

Op pagina 109 valt te lezen, dat de meeste journalisten niet op voorhand loyaal staan t.o.v. de wetenschap en vaak niet goed weten voor welk publiek ze schrijven. Sommigen hebben wel degelijk een prowetenschap agenda, anderen zien wetenschap als een manier om kranten te verkopen, hetgeen voor hen het behoud van werkgelegenheid betekent. Zoals ook voor andere journalisten geldt: wetenschapsjournalisten zien het helemaal niet als hun verantwoordelijkheid om het publiek, zoals de wetenschapper zou wensen, op te voeden.

Het boek is wat saai, maar zeer degelijk geschreven en bevat leuke feiten uit de Britse wetenschapsgeschiedenis: zo lezen wij dat de openbare lezingen van Faraday in de Royal Institution te Londen zoveel publiek trokken, dat voor het eerst in de geschiedenis de politie het verkeer moest regelen: begin 19e eeuw!

Later lezenswaardige case-stories over de receptie van Einsteins relativiteitstheorie, van de omarming en latere verguizing van de chemie in de publieke opinie, van milieurampen en zo meer. We lezen o.a. dat Einstein een cult-figuur werd en dat de Scientific American in 1920 een prijs uitloofde van 5.000 dollar voor het beste essay dat de relativiteitstheorie kon uitleggen. Einstein deed niet mee. Instructief is het hoofdstukje Apples and Alar, dat een rel uit 1989 beschrijft toen in de VS een tv-programma stelling nam tegen met ALAR bespoten appels en het kankerrisico ervan – in navolging van milieu-activisten – enorm opblies.

Terwijl de gezondheidsautoriteiten na onderzoek tot de conclusie kwamen dat er geen verband tussen blootstelling aan ALAR en kanker bestond reden talrijke Amerikanen kilometers om aan onbespoten 'organisch' fruit te komen. Een biochemicus merkte destijds op dat het kankerrisico met elke extra gereden mijl meer toenam dan door het eten van de bespoten appeltjes (p. 170).

Over de opvoeding van het publiek tot wetenschappelijk denken zijn de auteurs pessimistisch: het is vooral een romantisch idee en we mogen blij zijn als 20% van de leerlingen op de middelbare school affiniteit met de wetenschap toont (p. 92). Lewis, een embryoloog, stelde terecht dat wetenschap een onnatuurlijke manier van denken is, en dat als iets goed bij het gezond verstand past, het vrijwel zeker geen wetenschap is. Later stelde dezelfde: 'One of the strongest arguments for the distance between common sense and science is that the whole of science is totally irrelevant to people's day-to-day lives.'

De opvattingen en inspanningen van goedbedoelende organisaties als de American Association for the Advancement of Science (AAAS) en de Britse Royal Society komen uitgebreid aan bod, maar zullen betrekkelijk weinig uithalen in een publiek klimaat dat beïnvloed wordt door schrijfsters als Fay Weldon, die in 1991 tegen de wetenschappers klaagde: "We, the public, have to put up with your brave new world because there is no going back, and the past is an ignorant and brutal land and all of us were miserable then. But don't expect us to like you."

In een kort hoofdstuk komen ook de anti-science, de pseudo-science en hun aantrekkelijkheid voor publiek en journalist nog even ter sprake. Tegelijk met de grote aandacht voor wetenschappelijk nieuws is er een toenemende markt voor de alternatieve wetenschap der homeopaten, creationisten (scheppingswetenschappers), New Age-denkers en paranormalen. De auteurs verwijzen naar Dawkins, die in Oxford een leerstoel bekleedt in Public Understanding of Science en die in welgekozen bewoordingen vooral de media, met name de televisie, daarvoor veel medeverantwoordelijkheid verwijt. Andere medestanders op dit punt zijn Gross en Levitt, over wie hieronder meer.

Het boek van Gregory en Miller eindigt met een aantal praktische wenken voor wetenschappers, die zich tot het publiek willen richten. Het geeft zelfs een protocol (p. 242 e.v.). waarin wetenschappers worden opgeroepen te erkennen dat er een plaats is voor het populariseren van wetenschappelijke kennis, dat men helder moet zijn over zijn motieven, dat het publiek gerespecteerd moet worden, dat er wederzijds vertrouwen en gelijkwaardigheid tussen publiek en wetenschapper moet bestaan, dat ook de menselijke kanten van het wetenschapsbedrijf getoond mogen worden en dat het belang van publiek meedenken met de wetenschap buitengewoon groot is omdat de belastingbetaler veel wetenschap uiteindelijk betaalt en ook – zij het indirect – meebepaalt waaraan in de toekomst gelden zullen worden toegekend.

Nieuwsbrief

De Digitale Nieuwsbrief van de VtdK houdt u regelmatig op de hoogte van nieuwe artikelen op deze site.

 


Lees ook