Door: C.N.M. Renckens | Geplaatst: 10 maart 2008

Defending Science – within reason

Een recensie van het mooie boek van Susan Haack. Nobelprijswinnaar Steven Weinberg zei over haar: “She is one of those rare contemporary philosophers I can read with pleasure”…

Hoewel dat meestal al te veel eer is, eindigen discussies over alternatieve geneeswijzen en aanverwante onzin als astrologie, psychoanalyse, wichelroedelopen en dialectisch materialisme, tegenwoordig niet zelden met de vraag of zoiets wetenschappelijk aangetoond is en wat dat dan wel betekent: ‘wetenschappelijk’. De term wetenschappelijk is een stoplap geworden die elke lading moet dekken, waaraan men maar enig gezag wenst toe te kennen en betekent daarbij thans gewoon: ‘sterk, betrouwbaar en goed’. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat niet alleen sociologen, economen en psychologen de term ‘wetenschappelijk’ graag op zichzelf van toepassing achten, maar zelfs andere beroepsgroepen tooien zich maar al te graag met dit begeerde epitheton ornans. Denk aan: managementwetenschap (Nijenrode noemt zich ‘universiteit’ en deelt kwistig eredoctoraten uit aan kruideniers als Albert Hein), bibliotheekwetenschappen, militaire wetenschap en aan de McDonald-universiteiten.

Dat geflirt met de naam wetenschap is natuurlijk niet onbegrijpelijk: de vooruitgang in de natuurwetenschappen is in de afgelopen eeuwen dermate imposant geweest dat ons leven er zonder die wetenschappelijke kennis aanzienlijk slechter uit zou zien en dat leven zou door de bank genomen ook aanzienlijk korter duren dan tegenwoordig. Om de pseudo-wetenschappen goed te kunnen afserveren hebben wij dus behoefte aan een heldere omschrijving van het veel misbruikte begrip ‘wetenschap’ en iedereen weet dat je dan tegenwoordig de naam Popper moet laten vallen. Je kan menigeen vol overtuiging horen beweren dat falsificeerbaarheid hét kenmerk is van wetenschappelijke beweringen en dat daarmee het demarcatiecriterium tussen echte wetenschap en pseudo-wetenschap gegeven is. Deze verdedigers van de wetenschap zijn volgens de wetenschapsfilosofe Susan Haack – en ik vermoed dat zij gelijk heeft – bijna allemaal mensen, die ‘kennelijk iets gelezen hebben van iemand die iets gelezen heeft van iemand die Popper gelezen heeft’. Ik werd zo getroffen door dit amusante, maar terechte verwijt omdat ikzelf al enkele jaren geleden – nog voor ik deze woorden van Haack las – niet meer zo iemand wilde zijn en, op grond van een mooi citaat eruit dat ik al eens gebruikte, besloot tot de aanschaf van Poppers The Open Society and Its Enemies. Dit nu bleek een enorme vergissing: 780 pagina’s buitengewoon breedsprakige verhalen over Plato, Hegel en Marx. Niet om door te komen, met een enorm academisch verantwoord notenapparaat, en daterend uit 1945. Mijn citaat kon ik er ook al niet eens meer in vinden en ik kwam al snel tot de conclusie dat het voor mij toch maar beter zou zijn over Popper te lezen dan in Popper. Moeilijk is dat niet want Poppers’ ster rees in ons land reeds in de jaren ’60, hij werd gepopulariseerd door Karel van het Reve, en gebruikt door politici van uiteenlopende opvattingen als Den Uyl, Lubbers en Bolkestein. In elke introductie op de kennistheorie, wetenschapsfilosofie and ‘logic of science’ wordt Popper uitgebreid besproken en samengevat. Toch kwam hij met zijn optimistische en vrij absolutistische wetenschapsopvatting ook onder vuur van meer relativistische of zo men wel cynische wetenschapsfilosofen als Kuhn en Feyerabend. Kuhn kwam met zijn paradigmatheorie, die inhield dat de wetenschappelijke vooruitgang gaat stokken als het oude denkkader op een bepaald moment niet meer verder kon en met teveel onverklaarbare waarnemingen geconfronteerd wordt. Dan ontstaat een revolutionaire beweging die het oude kader omverwerpt en vanuit een nieuw gezichtsveld betere mogelijkheden biedt. Daarbij hoorde dan ook een nieuw vocabulaire en uitwisseling tussen het oude en nieuwe paradigma was dan onmogelijk geworden. Feyerabend was nog radicaler en verwierp het idee dat er een ‘wetenschappelijke methode’ was en relativeerde de wetenschap tot intellectueel opportunisme, waarbij stom geluk een grote rol speelt en die veel rommeliger en irrationeler is dan positivisten als Popper met hun nadruk op waarneming, logica en rationele hypothesevorming ons trachtten wijs te maken.

Wie heeft hier in godsnaam gelijk en wie kan dat debat nu eens in begrijpelijke taal voor de niet-filosoof uiteenzetten zonder daarbij verstrikt te raken in een van beide uitersten: de overmatig eerbiedige en absolutistische wetenschapsopvatting en de overmatig relativerende en cynische opvatting van ‘anything goes’ waarbij voodoo en homeopathie op een lijn staan met kwantummechanica en reguliere geneeskunde? Zo’n persoon bestaat en zij heet Susan Haack. Ze is als wetenschapsfilosoof verbonden aan de universiteit van Miami en is lid van de redactieraad van de Skeptical Inquirer, waaraan talrijke Nobelprijswinnaars verbonden zijn. Een van hen, Steven Weinberg, Nobelprijs winnaar natuurkunde, zei over haar dat ‘zij een van de zeldzame hedendaagse filosofen is, die hij met plezier kan lezen’.

Bij de door Amerikaanse sceptici opgerichte uitgeverij Prometheus Books, dat al zoveel prachtige boeken uitgaf (van Martin Gardner, Stephen Barrett, Stalker & Glymour, etc.) verscheen in 2003 haar boek Defending science – within reason en het is een absolute aanrader voor wie zich op de hoogte wil stellen van de stand van zaken op dat gebied en dat geschreven is op een voor leken begrijpelijke wijze. Het is geschreven met humor en zit vol prachtige vondsten, het is ongelofelijk erudiet en barstensvol mooie citaten van filosofen, maar bevat ook vele citeerbare passages van haar eigen hand. De benijdenswaardig fraaie en voor tweeërlei uitleg vatbare titel – ook als zodanig bedoeld natuurlijk – getuigt daar reeds van, maar het boek leest absoluut als een trein. Het is zo helder geschreven dat het nauwelijks enige voorkennis van wetenschapsfilosofie of kennistheorie (‘epistemologie’) vooronderstelt, maar desondanks toch ook zeer diep op de grote vragen rond de aard en waarde van wetenschappelijke kennis ingaat.

Normaal gesproken is de flaptekst van een boek altijd wat overdreven uit verkooptechnische overwegingen en hij wordt ook veelal door de auteur zelf geschreven. Ook bij Haacks boek is de flaptekst lovend, maar hij is volledig juist en niet overdreven. Ik vertaal hem hieronder voor u en sta er geheel achter.

‘Zich uitstrekkend over een breed terrein, diepgaand in de analyse, en rijkelijk geïllustreerd met voorbeelden uit de geschiedenis van de wetenschap, benadert deze nieuwe en originele zienswijze op het wetenschappelijk bewijs en de wetenschappelijke methode de alledaagse vragen over wetenschap en haar plaats in de samenleving. De twee valkuilen van sciëntisme en cynisme vermijdend, betoogt de bekende filosofe Susan Haack dat, feilbaar en krakkemikkig als ze mogen zijn, de natuurwetenschappen tot de meest succesvolle menselijke prestaties behoren – waardevol niet alleen wegens de zeer grote en onderling verweven hoeveelheid kennis die zij heeft opgeleverd, en niet alleen wegens de technologische voordelen die ons leven hebben vergemakkelijkt, maar als uiting van het menselijk talent voor onderzoek op zijn onvolmaakte maar somtijds opmerkelijke best.

Dit diepgravende, brede en verhelderende boek exploreert de complexiteiten van het wetenschappelijk bewijs en de veelvormige wijzen waarop de wetenschappen de alledaagse manieren om iets uit te zoeken hebben verfijnd en verbeterd; het legt uit waarin de sociale wetenschappen en de natuurwetenschappen van elkaar verschillen en waarin zij overeenkomen, en het ontrafelt de verwardheden van de radicale retorici en cynische wetenschapssociologen, het stelt de ontwijkende bewegingen aan de kaak van verdedigers van religieuze weerstanden tegen wetenschappelijke vooruitgang; het weegt de voordelen en gevaren van technologie; het volgt het rechtssysteem dat vaak (zo goed mogelijk) moet oordelen over wetenschappelijke getuigenverklaringen; en plaatst kanttekeningen bij de voorspellingen over de eventuele voltooiing of teloorgang van de wetenschappelijke inspanning.

Schrijvend met flair en galgenhumor, in een geestige, directe en toegankelijke stijl neemt Haack de lezer mee voorbij de Science Wars naar een evenwichtig begrip van de waarde, en van de beperkingen van de wetenschappelijke inspanning.’ Aldus de flaptekst en echt: geen woord ervan is gelogen.

Haack neemt op zeer overtuigende wijze afstand van de al te eerbiedige wetenschapsopvatting van Popper c.s. en stelt dat uiteindelijk geen enkel wetenschappelijk bewezen feit of wet volledig immuun is tegen een toekomstige verwerping. Wetenschap is volgens Haack het beste te vergelijken met een enorme kruiswoordpuzzel, een metafoor die zij al geruime tijd gebruikte, totdat ze ontdekte dat Einstein hem al in 1936 gebruikte in zijn Physics and reality, en door haar verder uitgebouwd. Nog in te vullen woorden moeten passen binnen het aantal gegeven letters en moet passen bij al eerder ingevulde woorden. Rekening moet worden gehouden met het feit dat sommige van die eerder ingevulde woorden fout kunnen blijken te zijn en sommigen zijn nog maar met potlood en dun ingevuld, anderen met onuitwisbare inkt, maar zelfs dan? Sommige woorden zijn in het Engels, anderen in het Swahili, in het Vlaams, in het Esperanto enzovoorts. Er zijn gebieden waar al veel is ingevuld, andere delen zijn nog vrijwel leeg. Sommige woorden staan er al een paar honderd jaar en werden ingevuld door reeds lang geleden overleden wetenschappers, anderen staan er sinds vorige week. Meerdere teams zijn op verschillende plaatsen in de wereld bezig met het oplossen van de puzzel en beschuldigingen van onregelmatigheden zijn niet zeldzaam. Soms moet een lang woord dat er al geruime tijd stond worden gewist en moet ook aan dwars erop ingevulde woorden opnieuw worden getwijfeld. Deze beschrijving, ontleend aan Haack’s boek (p.93), vormt de kern van haar wetenschapsopvatting. Einstein zei er in 1936 dit over: ‘It is a matter of faith that nature – as she is perceptible to our five senses – takes the character of such a well-formulated puzzle. The successes reaped up to now by science give a certain encouragement to this faith.’

 

Ik zal verder de verleiding weerstaan verder te citeren uit dit rijke boek, maar raadt iedereen met enige belangstelling voor dit onderwerp aan het te lezen. Het is een zeer sympathieke verdediging van de wetenschap zonder haar mooier voor te stellen dan zij is. Zeer aangenaam en aannemelijk vind ik ook haar voorstel om niet te spreken van een ‘wetenschappelijke methode’: elke manier waarop wij in het dagelijks leven wat uitzoeken maakt gebruik van dezelfde menselijke vermogens en wetenschap is daarvan slechts de ‘lange arm’. Ook pleit zij ervoor in de filosofie niet plotseling te gaan twijfelen aan zaken waaraan je in het leven van alledag niet twijfelt. De filosoof, die elke dag opnieuw betwijfelt of er achter zijn voordeur nog wel een gang en geen groot gat zit, zo’n filosoof daar hield ik al nooit zo van. Haack zegt nu dat dat goed is: bevrijdend! Ook haar bespreking van het conflict tussen geloof en wetenschap wordt door Haack op resolute wijze beslecht in het voordeel van de wetenschap en voor de kennis die de religie uitdraagt heeft zij weinig waardering of respect. Met denkers als Stephen Gould, die een apart kennisdomein voor de religie bepleitte, toont Haack weinig geduld en men kan haar moeilijk ongelijk geven. Ook met de aanhangers van het Intelligent Design maakt zij op effectieve wijze de kachel aan. Het boek lijkt mij voor gelovige wetenschappers erg gevaarlijk.

Hier moet deze recensie die een ode is geworden eindigen. Maar niet nadat ik u alvast Haacks advies doorgeef om het begrip ‘pseudo-wetenschap’ niet te vaak als scheldwoord te gebruiken. Bekijk liever waar en waarom de bewering onjuist is en besteed daaraan alle aandacht.

 

 

Defending science – within reason. Susan Haack. Prometheusbooks. 2003. Amherst, New York. ISBN 1-59102-117-0. Prijs: ? 27,45

(In 1998 schreef zij Manifesto of a Passionate Moderate, dat als een voorloper kan worden beschouwd. Univ. Of Chicago Press. ISBN 0-226-31137-b)

Nieuwsbrief

De Digitale Nieuwsbrief van de VtdK houdt u regelmatig op de hoogte van nieuwe artikelen op deze site.

 

 

C.N.M. Renckens

Profiel: (1946) Hij studeerde geneeskunde aan de RUG en behaalde het artsdiploma in 1971. Na werkzaam te zijn geweest als tropenarts in Zambia volgde zijn specialisatie tot vrouwenarts. In die kwaliteit is hij sinds 1980 verbonden aan het Westfries Gasthuis te Hoorn. Sinds 1988 bekleedt hij het voorzitterschap van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Hij is auteur van vele publikaties op het gebied van kwakzalverij en alternatieve geneeswijzen, zowel in de lekenpers als in de professionele pers. Van zijn hand verschenen vier boeken: ‘Hedendaagse kwakzalverij’ (1992), ‘Kwakzalvers op kaliloog’ (2000), ‘Genezen is het woord niet. Biografische schetsen van de twintigste meest notoire genezers van de twintigste eeuw’ (2001) en zijn in handelseditie verschenen dissertatie ’Dwaalwegen in de geneeskunde. Over alternatieve geneeswijzen, modeziekten en kwakzalverij’ (2004). In 2006 werd hij wegens zijn verdiensten voor de kwakzalverijbestrijding benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Gerelateerde artikelen

artikelen - 25 mei 2022

Buitenlandrubriek met o.a.: Amerikaans medisch genootschap gaat met misinformatieprotocol werken.

artikelen - 16 mei 2022

Enikö Papp gelooft in de Germaanse Geneeskunde, de leer meent dat conflicten ziektes veroorzaken.

artikelen - 12 mei 2022

De gemeente Groningen subsidieert alternatieve activiteiten als acupunctuur en Bachbloesemtherapie, vermoedelijk zonder dat zij dit weet.