UitgelichtKaartjes voor het jaarsymposium 2024 – Wie beschermt de patiënt? zijn nu beschikbaar.

Koop hier uw kaartje
Door: de Webredactie | Geplaatst: 27 juli 2009

De wet van Thorbecke van 1865

Volledige tekst van de wet op de uitoefening der geneeskunst

De wet van Thorbecke van 1865
De onderstaande wetstekst, inclusief jurisprudentie is ontleend aan:

Uitoefening der geneeskunst …
bewerkt door Mr. J. Haring en J.M. Smorenburg
25ste druk, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1994.
ISBN 90-271-3884-2

Dit is de laatst beschikbare versie (bijgewerkt tot 1 januari 1994) van de wet van 1865.
Met de invoering van de Wet BIG is deze wet en een aantal ermee samenhangende wetten vervallen.

De Vereniging tegen de Kwakzalverij heeft van de wettige opvolger van W.E.J. Tjeenk Willink B.V. toestemming gekregen om deze tekst op haar website te tonen. Overname (of zogenaamd hotlinken) is alleen toegestaan met uitdrukkelijke toestemming van wettige opvolger van W.E.J. Tjeenk Willink B.V. De overgenomen tekst is op opmaak (afbrekingen, voetnoten, alinea’s), correcties van kommafouten en indicaties van de scheiding tussen wetstekst en jurisprudentie na gelijk aan de tekst op p. 6-39 van het bovengenoemde werk.

Het geciteerde boek is deeltje 25 in de serie ‘Nederlandse staatswetten: editie Schuurmans & Jordens’ en bevat nog meer wetten, namelijk

Wet inzake de uitoefening der tandheelkunde
Wet inzake bevoegdheid van arts, tandarts, apotheker, verloskundige en apothekerbediende
Medische Tuchtwet
Wet op de tandheelkundige inrichtingen
Wet inzake praktijkuitoefening van in Indonesië bevoegde Nederlandse tandartsen en verloskundigen
Noodwet Geneeskundigen
Wet inzake de tandprothetici
Wet op het Praeventiefonds
Wet collectieve preventie volksgezondheid
Rijkssubsidieregelingen.

Deze wetten hingen samen met de Wet regelende de uitoefening der geneeskunst, maar alleen deze laatste staat hieronder weergegeven. Rechtsboven is een pdf beschikbaar met de oorspronkelijke wet zoals die op 2 juni 1865 is afgekondigd.

 

 

 

TEKST VAN DE WET

WET van 1 juni 1865, Stb. 60 regelende de uitoefening der geneeskunst, zoals die wet is aangevuld en gewijzigd bij de wetten van(*1):

Datum Stb.

23-04-1880 65
15-04-1886 64
21-06-1901 157
31-12-1909 452
27-11-1919 784
08-07-1924 335
11-02-1932 49
04-08-1938 801
01-06-1951 201
05-03-1953 130
07-07-1955 390
18-01-1956 51 (noot: Gezondheidswet )
28-07-1958 408 (noot: Geneesmiddelenvoorziening)
27-09-1962 386
21-03-1963 113 (noot: Wet op de paramedische beroepen)
27-08-1965 418
25-03-1963 253
01-09-1978 505
16-05-1986 364
11-02-1988 77 (noot: Wet indeling geldboete-categorieën II)
25-05-1989 329
07-03-1991 130

(* 1) Deze Wet strekt mede ter uitvoering van de Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschap van 16 juni 1975, no. 75 /362, /363, /364, /365, /366 en 367 EEG (PB no. L 167).

Wij WILLEM III, bij de Gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, de uitoefening der geneeskunst bij de wet te regelen.

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Algemeene bepalingen

Art. 1. Uitoefening der geneeskunst, waaronder de wet het verleenen van genees- heel- of verloskundigen raad of bijstand als bedrijf verstaat, is alleen geoorloofd aan degenen, aan wie de bevoegdheid daartoe volgens de wet is toegekend.

Onder het verleenen van raad of bijstand, in het vorige lid bedoeld, wordt begrepen het als bedrijf onderzoeken van een orgaan of een deel van het menschelijk lichaam, welk orgaan of welk deel in zijne werking te kort schiet of een ander gebrek vertoont, zoomede het als bedrijf aanraden van een middel om aan een zoodanig tekort of gebrek tegemoet te komen.

Het verstrekken van brillen en brilleglazen uitsluitend hetzij op voorschrift van een geneeskundige, hetzij door het met behulp van letterproeven en brillendoos uitzoeken van de verlangde glazen wordt, voor zoover zulks volgens het eerste en het tweede lid van dit artikel wél het geval zou zijn, niet geacht te behooren tot de uitoefening der geneeskunst.

Toelichting en jurisprudentie worden in het vervolg door ingesprongen tekst aangegeven.

Het aangeboden wetsontwerp is een noodzakelijk gevolg van de ontwikkeling der omstandigheden. Op de grensgebieden van de uitoefening der geneeskunst zijn zich enige groepen van personen gaan bewegen, zó, dat een meer nauwkeurige afpaling van de wettelijke grenzen van het terrein dat wordt bestreken door het verlenen van genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand als bedrijf, geboden is.

In de eerste plaats wordt hierbij gelet op de praktijk der opticiens, zoals deze zich in de laatste jaren heeft ontwikkeld. Een steeds aangroeiend aantal van hen, die zich opticien noemen, bepaalt zich niet tot het vervaardigen en verkopen van brillen, maar strekt zijn bemoeiingen uit tot het onderzoeken van de ogen met refracto- of ophthalmometers – zelfs wel met oogspiegels – en adviseert op grond van dit onderzoek tot het nemen van een bepaalde bril. Een dergelijk geval is in 1930 en 1931 behandeld door de rechterlijke macht, toen een strafvervolging was ingesteld wegens onbevoegde uitoefening der geneeskunst buiten noodzaak, tegen een opticien die ogen had onderzocht door middel van een oogspiegel en een refractometer, en vervolgens het dragen van een bril had aangeraden en een bril had verkocht.

De Hoge Raad heeft toen bij arrest van 9 nov. 1931 (W. 12 419) beslist dat de opticien, die met een optisch instrument een oogonderzoek verricht, een bril aanraadt en verkoopt, niet een geneeskundige raad geeft welke krachtens artikel 436 Sr. strafbaar is. Dit arrest heeft voor de opticiens de weg vrijgemaakt om zonder voorlichting van een geneeskundige een terrein te betreden dat, zo al niet geheel, dan toch ten dele ligt op het gebied van de uitoefening der geneeskunst. Een tekort in de werking der ogen is maar al te dikwijls het gevolg van een ziekelijke aandoening, van welke uitsluitend door een geneeskundige behoorlijk de diagnose kan worden gesteld en de behandeling ondernomen. Het alleenoptreden van een opticien kan dan schadelijk voor de gezondheid zijn. Ten eerste toch kan in vele gevallen, namelijk bij een ziekelijke aandoening van het orgaan zelf, de keuze van een bril voor de ogen geen genezing ten gevolge hebben. Voorts is de toestand der ogen dikwijls afhankelijk van een algemene ziekte (nierziekte, diabetes, syphilis, enz.).Wanneer een zieke, in plaats van naar een oogarts te gaan, het probeert bij de opticien met brillen, die in dergelijke gevallen toch geen baat kunnen geven, verzuimt hij vaak het goede ogenblik om een geneeskundige behandeling te ondergaan, welke heilzaam had kunnen zijn. Ook kan in bepaalde gevallen een ziekelijke afwijking van de ogen door een passende bril worden verholpen, dat wil zeggen genezen, echter alleen bij regelmatige controle door een oogarts.

Een dergelijk verschijnsel doet zich voor bij de praktijk van masseurs en heilgymnasten. Gelukkig zijn er verscheidene van deze, die alleen op medisch advies iemand willen behandelen, maar velen onderzoeken zelfstandig lijders aan een gebrek in enig bewegingsorgaan of lichaamsdeel, en gaan vervolgens over tot een behandeling. Ook deze gebreken kunnen het gevolg zijn van ziekelijke aandoeningen en afwijkingen; daarom is onderzoek en behandeling buiten medisch advies en toezicht om in zulke gevallen gevaarlijk.

Het is in het belang van de volksgezondheid nodig om deze ontwikkeling binnen bepaalde grenzen terug te dringen.

Het hierbij aangeboden ontwerp is tweeledig. In de eerste plaats beoogt het de grenzen van het wettelijk-ongeoorloofde op het gebied van de uitoefening der geneeskunst met groter nauwkeurigheid af te palen dan door het tegenwoordig art. 1 der wet geschiedt. Evenwel zouden door deze bepaling de heilgymnasten en de masseurs zowel als de opticiens in een te onzekere toestand komen te verkeren. Daarom bedoelt het ontwerp in de tweede plaats voor deze groepen een terrein aan te geven, waarop zij zich ongestraft kunnen bewegen, door vast te stellen, welke praktijken niet geacht worden tot de uitoefening der geneeskunst te behoren.

Wordt dit ontwerp tot wet verheven, dan zullen de opticiens het recht behouden om brillen en brilleglazen te verkopen aan degenen, die zulks wensen, hetzij op recept van een arts, hetzij door deze uitsluitend met behulp van letterproeven en brilledoos in het bezit te stellen van de door hen gewenste brilleglazen. Het zal de opticien evenwel niet geoorloofd zijn met instrumenten de ogen van de cliënt te onderzoeken; zij zullen zelfs de schijn moeten vermijden, alsof door hen een onderzoek wordt verricht. Voorts zullen de masseurs en heilgymnasten het recht behouden om op aanwijzing van, en in geregeld overleg met een arts, patiënten een behandeling te doen ondergaan. Zelfstandig zullen zij dit echter evenmin als thans ingevolge het bepaalde in het tegenwoordig artikel 1 der wet mogen doen; evenmin zullen zij in het vervolg een onderzoek aan het te behandelen lichaamsdeel mogen verrichten of richtlijnen voor een behandeling mogen aangeven. (MvT).

Wat de voetverzorging betreft, zijn de ondergetekenden vooralsnog geen omstandigheden bekend, die het treffen van een bijzondere regeling zouden rechtvaardigen. Indien een zgn. pedicure een voet in behandeling neemt, omdat deze in zijn werking te kort schiet of een ander gebrek vertoont, gaat hij zijn boekje te buiten en zal hij met de strafrechter in aanraking kunnen komen.

Met betrekking tot de redactie “het aanraden van een middel” zij opgemerkt, dat taalkundig een raad toch steeds van persoon tot persoon plaats heeft, derhalve individueel; in een advertentie, als bedoeld, is dan ook gewoonlijk sprake van een “aanbeveling”. Bovendien is het de bedoeling, dat het aanraden van een middel, wil het onder “uitoefening der geneeskunst” begrepen zijn, geneeskundig aanraden zij en als bedrijf worde uitgeoefend. Het eerste element is uitgedrukt in de woorden “in het vorig lid bedoeld”. Ten einde het tweede element buiten twijfel te stellen, is het eerste nieuwe lid gewijzigd. Door deze beide elementen wordt nu een algemene onpersoonlijke aanbeveling naar de overtuiging van de ondergetekende met voldoende zekerheid buiten het bereik van de wetsbepaling gesteld. Geneeskundig handelen kan toch, naar zijn mening, nooit onpersoonlijk zijn, doch is steeds individueel en het plaatsen van advertenties, waarin bepaalde geneesmiddelen worden aanbevolen, zal toch bezwaarlijk in enig geval als bedrijf kunnen worden aangemerkt. De ondergetekende is mitsdien van oordeel, dat een algemene onpersoonlijke aanbeveling met voldoende zekerheid buiten het bereik van de wetbepaling is gesteld. (MvA).

Uitoefening der geneeskunst, geneeskundige raad of bijstand

De wet bevat geen omschrijving wat onder geneeskundige raad moet worden verstaan. Als zodanig kan niet worden beschouwd een gedrukte en bij de ten verkoop gestelde flesjes gevoegde gebruiksaanwijzing van de inhoud. (HR 17 april 1876, W. 2909).

Onder uitoefening der geneeskunst is in de zin der wet te verstaan elke bijstand, ook door het aanwenden van hetzij bestaande, hetzij gewaande krachten, indien dit geschiedt met de werkelijke of voorgewende strekking om daarmede een genezende werking op een krank lichaamsdeel uit te oefenen. (HR 24 mei 1886, W. 5304; zie ook het arrest van 28 dec. 1869, W. 3178).

Onder de woorden “geneeskundige raad” in art. 1, valt elke raad, die de strekking of de aangewende strekking heeft om genezing van een ziekte of kwaal te bevorderen. (HR 18 maart 1901, W. 7584).

Het door een apotheker tegen een bepaalde prijs verstrekken van een tot genezing van een zwerende vinger dienende pleister, is niet het verlenen van geneeskundige raad of bijstand in de zin van art. 1. (HR 23 dec. 1901, W. 7705).

Het tegen betaling geneeskundig onderzoeken van iemand en het constateren, waaraan hij lijdende is, is te beschouwen als het verlenen van geneeskundige raad en bijstand. (HR 3 juni l907, W. 8561).

Onder geneeskundige bijstand is te verstaan iedere bijstand verleend met de voorgewende of werkelijke strekking om een genezende werking op de zieke mens uit te oefenen (HR 20 nov. 1911, W. 9240, CV. Zie ook HR 25 juni 1923 , NJ 1923, 1282; 4 april 1932, NJ 1932, 633, AB 1932, 737; 28 jan. 1935, NJ 565; 28 juni 1937, NJ 1938, 167; 2 mei 1938, NJ 1938, 806).

Onder uitoefening der geneeskunst verstaat art. 1 geheel algemeen het verlenen van genees-, heel- of verloskundige raad of bij stand als bedrijf, welke raad of bijstand de werkelijke of voorgewende strekking om genezing van een ziekte te bevorderen, evenzeer kan hebben wanneer hij verleend wordt buiten tegenwoordigheid van de lijder, als wanneer hij in diens bijzijn wordt gegeven. (HR 24 juni 1912, W. 9359, CV).

Het geven van een raad, die de vermeende of werkelijke strekking heeft genezing van een ziekte te bevorderen, is het geven van geneeskundige raad in de zin der wet, ook al is aan het geven daarvan geen onderzoek van de lijder voorafgegaan. (HR 10 maart 1913, NJ 718, W. 9475).

Nu de beklaagde in verband met de ongesteldheid waaraan zij zeide, dat elk der personen lijdende was, raad heeft gegeven, na de patiënt de pols gevoeld, in de ogen gezien of betast te hebben en daarbij, onder aanwijzing van het gebruik, het zij flanellen banden hetzij kruiden hetzij beide te zamen verkocht heeft met voorgeven, dat, bij gebruik volgens hare raad, die personen zouden genezen, is zulks terecht beschouwd als het verlenen van geneeskundige raad als bedrijf en bijgevolg als uitoefening der geneeskunst volgens art. 1 der Wet van 1 juni 1865 (Stb. no. 60). (HR 5 mei 1913, NJ 975, CV, W. 9504).

Wanneer men een afwijking in het lichaam wegmaakt, geneest men die afwijking en oefent men dus geneeskunst uit.

Hij, die een tatouering verwijdert door met een vloeistof de arm ter plaatse der tatouering te besmeren en die plaats met een stift te bewerken, oefent de geneeskunst uit. (Hoog Militair Gerechtshof 4 nov. 1919, NJ 1919, 1143, AB 1919, 333).

Het door bekl. aan onderscheidene personen, die haar omtrent bij hen voorkomende kwalen en ziekten mededelingen hadden gedaan, verstrekken van middelen, welke moesten dienen om genezing van die kwalen en ziekten te bevorderen en waarvan in verband met dat doel de keuze bij bekl. berustte en de gebruiksaanwijzing door haar werd gegeven, levert op het verlenen van geneeskundige raad in de zin der wet (HR 12 nov. 1923, NJ 1924, 81).

Verlenen van geneeskundige raad of bijstand. Hierbij doet het niet af of de gegeven voorschriften gegrond zijn op de eigen mededelingen van de lijders omtrent de aard hunner kwalen dan wel op zelfstandig onderzoek van de geneeskundige en evenmin of zodanig onderzoek inderdaad ten doel heeft daaromtrent meer licht te verkrijgen dan wel alleen strekt om de hulpzoekenden in de waan te brengen dat het daartoe dient. (HR 6 april 1925, NJ 1925, 694).

De rekwirante heeft zich niet bepaald tot urineonderzoek en evenmin tot de verkoop van geneesmiddelen, welke tegen bepaalde ziekten of kwalen in het algemeen worden aanbevolen, doch heeft de urine van de patiënt onderzocht en hem in aansluiting daaraan het gebruik van bepaalde geneesmiddelen voorgeschreven tegen de concrete ziekte of kwaal, waaraan hij naar hare werkelijke of vermeende bevindingen bij dat onderzoek lijdende zou zijn. Dit nu levert in elk geval op het verlenen van geneeskundige raad of bijstand. (HR 29 mei 1928, AB 1928, 427).

De tenlastegelegde en bewezen verklaarde feiten, waardoor de verdachte de geneeskunst zou hebben uitgeoefend, t.w. verschillende personen, die ter zake van kwalen, waaraan zij zouden lijden, bij verdachte om raad kwamen, met een vergrootglas in de ogen zien om daardoor hun kwalen vast te stellen, kunnen niet als zodanige uitoefening, immers niet als het verlenen van raad of bijstand, worden aangemerkt. (HR 3 juni 1929, NJ 942).

Onder geneeskundige raad moet worden verstaan een raad, welke de vermeende of werkelijke strekking heeft om genezing van een ziekte of kwaal te bevorderen. Nergens stelt de wet de eis, dat degene, aan wie die raad wordt verschaft inderdaad ziek is. (HR 19 oktober 1931 , NJ 1932, 1290, AB 1932, 1015 en van 28 juni 1937, NJ 1938, 136, AB 1938, 310).

De inenting van mensen, als voorbehoedmiddelen tegen ziekten, moet naar de aard dezer in het menselijk organisme ingrijpende verrichting, ongetwijfeld geacht worden tot de uitoefening der geneeskunst te behoren. (HR 10 april 1933, NJ 1933, 1449, AB 1934, 56).

De vraag of het voor een ander door gebed genezing afsmeken valt onder het verschaffen van geneeskundige raad of bijstand wordt ontkennend beantwoord. (HR 23 april 1934, NJ 1934, 1277, AB 1935, 98, CV).

Ten onrechte was de Rechtb. van oordeel, dat i.c. niet sprake was van het uitoefenen der geneeskunst in de zin der wet, doch van verstrekken van geneesmiddelen met gebruiksaanwijzing. Gerekw. heeft toch, zoals is bewezenverklaard, aan personen, die zich met klachten over hun ziekten en kwalen tot hem hadden gewend, kruiden verstrekt met aanwijzing, hoe die te gebruiken en zulks met de voorgewende of werkelijke strekking om genezende werking op die ziekten en kwalen uit te oefenen, weshalve hij gezegd moet worden die kruiden ter genezing te hebben voorgeschreven en dus geneeskundige raad te hebben verleend, hetgeen in art. 1 der Wet van 1 juni 1865 Stb. 60, onder uitoefening der geneeskunst verstaan wordt. (HR 15 nov. 1937, NJ 1938, 346, AB 1938, 489).

Het verwijderen van gezichtsharen, zij het met blijvend gevolg, is een behandeling, welke niet valt onder het begrip “uitoefening der geneeskunst” naar de daarvan in art. 3 jº. 1 der wet van 1 juni 1865, Stb. 60, regelende de uitoefening der geneeskunst, gegeven omschrijving, zodat niet mag worden aangenomen, dat gerekwireerde door de advertentie: “Gelaatsverzorging, Gezichtsharen, Blijvende verwijdering, enz.” in het betrokken dagblad te doen opnemen in het openbaar heeft aangekondigd de geneeskunst uit te oefenen, (HR 31 okt. 1938, NJ 1939, 88, AB 1939, 502).

Naar de strekking der Wet van 1 juni 1865, Stb. 60, regelende de uitoefening der geneeskunst, is niet bijstand door een geneeskundige noch bijstand overeenkomstig de geneeskunst doch slechts bijstand op het gebied der geneeskunst vereist.

Die bijstand legt de aard van geneeskundige bijstand niet af, indien die behandeling overigens “mede bestond in bidden”, nu in elk geval het maken van bewegingen van verd. gepaard ging met een te kennen geven althans de indruk vestigen, dat mede door deze handelingen van hem, verd., bedoelde kwalen zouden genezen althans bedoelde verbetering zou intreden. (HR 3 april 1951, AB 1951, 701, NJ 1951, 463).

Het verzachten van als gevolg van ziekte, kwalen of verwondingen ondervonden pijn kan onder omstandigheden worden beschouwd als het verlenen van genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand. De stelling dat het verzachten van het als gevolg van ziekten, kwalen of verwondingen ondervonden leed niet te brengen is onder “het verlenen van genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand” als bedoeld in art. 1 lid 2 Wet uitoefening Geneeskunst kan in zijn algemeenheid niet worden aanvaard. (HR 9 oktober 1979, NJ 1980, 189).

“Officiële” geneeskunst

In zover zij bestaat in het voorschrijven en verstrekken van geneesmiddelen, is de uitoefening der geneeskunst niet beperkt tot die geneesmiddelen, welke in de pharmacopoea zijn genoemd of in art. 30 der wet op de uitoefening der artsenijbereidkunst zijn bedoeld. (HR 13 febr. 1888, W. 5518).

De bevoegdheid om met uitsluiting van anderen de geneeskunst uit te oefenen, is niet beperkt tot de geneeskunst, welke steunt op de door de wet tot het bekomen dier bevoegdheid vereiste kennis en ervaring, doch strekt zich uit over het gehele gebied der geneeskunst, welke middelen daarbij ook worden gebezigd en welke methode daarbij ook wordt toegepast (HR 20 nov. 1911, W. 9240, CV).

Het in praktijk brengen van de gave van “helderziendheid” ontneemt aan de feiten niet het karakter van het verlenen van geneeskundige raad of bijstand. (HR 25 juni 1928, NJ 1928, 1543).

Uit de strekking van de Wet, regelende de uitoefening der geneeskunst, volgt dat de bevoegdheid om met uitsluiting van anderen geneeskunst uit te oefenen niet is beperkt tot geneeskunst welke steunt op de door de wet tot het bekomen der bevoegdheid vereiste kennis en ervaring. (HR 16 dec. 1929, NJ 1930, 265).

De wet van 1 juni 1865, Stb. 60, uitgevaardigd omdat volgens haar considerans “het noodzakelijk is, de uitoefening der geneeskunst bij de wet te regelen”, terwijl uit de bij haar tot standkoming gewisselde stukken blijkt dat daarbij de bedoeling heeft voorgezeten in het belang der volksgezondheid de kwakzalverij te weren, verstaat onder “uitoefening der geneeskunst” krachtens art. 1, eerste lid, “het verlenen van genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand als bedrijf”.

De wet doelt daarbij, waar het regelen dier uitoefening erin bestaat, deze alleen geoorloofd te verklaren aan degenen aan wie de bevoegdheid daartoe volgens die wet is toegekend, overeenkomstig haar oogmerk en woordkeus met “de geneeskunst” en “geneeskundig” nog niet beperkend op een handelen door hen die ter zake kundig of de kunst machtig zijn, noch op een handelen dat beoogt of te verstaan geeft te beogen te genezen op een bepaald gebied of naar een bepaalde leer.

Zolang de wetgever niet voor enig gebied van geneeskunde of enige wijze van genezen in nadere regeling zal zijn getreden, zou de rechter niet aan “uitoefening der geneeskunst” zodanig deel onttrokken kunnen rekenen zonder een met voornoemd belang onverenigbaar te achten algemene toestand van ongeregeldheid te doen ontstaan. (HR 17 april 1951, AB 1951, 704, NJ 1951, 464).

Bevoegdheid, toelating
(in de zin van art. 436 Sr.)

Deze wet stelt zich op het standpunt, dat de belangen der volksgezondheid vorderen, dat geneeskundige hulp als regel alleen mag worden verleend door personen, die, na met goed gevolg de bij de wet geregelde proeven van bekwaamheid te hebben afgelegd, tot de uitoefening der geneeskunst zijn toegelaten. (HR 16 maart 1925, NJ 1925, 697).

Door de bepaling van art. 1 der wet van 1 juni 1865, Stb. 60, dat uitoefening der geneeskunst alleen geoorloofd is aan degenen, aan wie de bevoegdheid daartoe volgens de wet is toegekend, vordert de wet een toelating – in de zin van art. 436 Sr. – om de geneeskunst uit te oefenen. De toelating bestaat dan hierin, dat men in het bezit zij van een door de wet aan te geven bevoegdheid.

T.a.v. de geneeskundigen bedoeld in art. 2 der wet van 1865 en van die bedoeld in de met België en met Duitsland (noot: Door de Tweede Wereldoorlog is de met Duitsland gesloten overeenkomst vervallen. – Bew.) gesloten overeenkomsten is ook van een toelating sprake nl. van een bijzondere op de wet, in verband met door de wet goedgekeurde overeenkomsten, steunende vergunning. (HR 28 jan. 1935, AB 1935, 666).

Rekw.’s betoog, dat – waar art. 1 der wet van 1 juni 1865, Stb. 60, de uitoefening der gehele geneeskunst voorbehoudt aan hen, aan wie de bevoegdheid daartoe volgens de wet is toegekend, terwijl bepaalde handelingen o.a. aan verplegers zijn geoorloofd – de dagv. had moeten inhouden, dat rekw. niet was verpleger en niet was in opleiding ter verkrijging van het diploma voor ziekenverpleging, faalt.

Art. 1 voornoemd laat geen ruimte voor de opvatting, dat wie de geneeskunst niet in haar volle omvang, maar slechts voor een gedeelte uitoefent, daarvoor geen volgens de wet toegekende bevoegdheid behoeft te bezitten.

Uit de inhoud van de gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Arbeid, Handel en Nijverheid en van Binnenlandse Zaken van 2/6 dec. 1929 met bijlagen kan geenszins worden afgeleid, dat gediplomeerde verplegers en in opleiding zijnde leerling-verplegers bevoegd zouden zijn om er hun bedrijf van te maken om personen, die zich, daar zij lijden of menen te lijden aan een kwaal, ter genezing daarvan tot hen wenden, geneeskundige bij stand in de vorm van massage te verlenen. Genoemde Ministers zouden tot het verlenen van een dergelijke bevoegdheid niet bevoegd zijn, (HR van 2 jan, 1940, NJ 1940, 345, AB 1940, 713).

Magnetiseurs

Artikel 1 der wet van 1 juni 1865, Stb. 60, verstaat onder uitoefening der geneeskunst het “verlenen van genees-, heel- en verloskundige raad of bijstand als bedrijf”, zonder enig voorbehoud. Het begrip genees- of heel-kundige bijstand is op zichzelf zo ruim, dat daaronder inderdaad ook valt het aan zieken ter bevordering van hun genezing een behandeling doen ondergaan als in de bewezenverklaring omschreven (met beide handen strijken over het geklede lichaam en het daarna afslaan van zijn handen door de magnetiseur). (HR 22 maart 1943, NJ 1943, 364).

Als bedrijf

De uitoefening der geneeskunde als bedrijf is aan onbevoegden verboden, niet het onder zekere omstandigheden verlenen van genees-, heel- en verloskundige raad en bijstand. De beslissing daaromtrent staat aan de rechter (HR 26 febr. 1867, W. 2882, 20 mei 1868, W. 3009 en 15 dec. 1868, W. 3075).

De wet stelt niet als voorwaarde van uitoefening der geneeskunde als bedrijf, het bedingen of ontvangen van salaris. Het onderzoeken van kwalen, het voorschrijven en tegen betaling afleveren van geneesmiddelen, met aanwijzing van gebruik is het verschaffen van geneeskundige raad tegen betaling (HR 23 okt. 1876, W. 4047 en 15 okt. 1888, W. 5626, CV) (Zie ook HR 23 dec. 1907, W. 8638 en van 15 okt. 1937, NJ 1917, 1081, AB 1917, 322).

Niet slechts uit pluraliteit van op verschillende tijd verrichte handelingen, maar ook uit andere omstandigheden, bijv. het ontvangen van loon, kan worden afgeleid dat geneeskundige raad of bijstand “als bedrijf” is verleend en derhalve de geneeskunde als beroep was uitgeoefend, voor het bestaan van welke beroepsdaad niet noodzakelijk is, dat hij, die deze verricht, van het uitoefenen daarvan zijn beroep maakt. (HR 27 nov. 1905, W. 8305).

Terecht heeft de Rechtbank uit de feiten afgeleid dat hier geneeskundige raad is verleend. De vraag of er steeds een pathologisch geval aanwezig moet zijn om van het geven van geneeskundige raad te kunnen spreken, kan thans onbeantwoord blijven, daar in elk geval hier de zwangerschap met verschijnselen gepaard ging, welker behandeling het verlenen van geneeskundige raad oplevert.

De telastegelegde en bewezenverklaarde handelingen vormen samen het uitoefenen van een bedrijf. (HR 3 nov. 1924, NJ 1925, 46).

Wel kan in bepaalde gevallen het bedingen ener beloning grond zijn om tot uitoefening van een beroep te concluderen, maar zulks belet niet dat vaak, ook als geen betaling wordt gevraagd, datzelfde uit andere omstandigheden kan worden afgeleid. (HR 22 juni 1931 , NJ 1215).

Indien het aan bepaalde groepen van personen (o.m. semi-artsen, medische studenten, wijkverpleegsters en in het algemeen verplegend personeel in ziekenhuizen, gevangenissen en rusthuizen – Red.) geoorloofd is onder zekere omstandigheden bedoelde injecties toe te dienen, waarbij te denken valt aan het handelen onder onmiddellijk toezicht van een bevoegde arts, dit neemt niet weg, dat het in strijd is met het bepaalde in art. 1 eerste lid Wet van 1 juni 1865, Stb. 60 dat deze personen zelf deze geneeskundige bijstand als bedrijf verlenen gelijk in de bewezenverklaring aan rekw. wordt verweten, daar zulks oplevert uitoefening der geneeskunst i.d.z. van deze bepaling en hun de bevoegdheid daartoe niet volgens de wet is verleend.

De rechter kon uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen afleiden, dat rekw. geneeskundige bijstand verleende als bedrijf.

Voor de strafbaarheid op grond van het bepaalde in art. 436 eerste lid Sr. is niet vereist, dat de dader de bedoeling heeft deze bepaling te overtreden. (HR 4 nov. 1952 NJ 1953, 149).

Buiten noodzaak (in de zin van art. 436 WvS)

De woorden “buiten noodzaak” zijn te verstaan in die zin, dat op een gegeven ogenblik ergens medische hulp dringend nodig is en aldaar op dat ogenblik een wettelijk bevoegd geneeskundige niet is te verkrijgen. (HR 26 april 1920, NJ 560; 12 dec. 1921; NJ 276; 4 april 1932, NJ 633; 6 juni 1932, NJ 1243; 3 april 1951, NJ 463).

Uit de erkentenis van beklaagde, dat hij wist dat ten tijde en ter plaatse der overtreding artsen gevestigd waren, volgt dat bekl. buiten noodzaak geneeskunst heeft uitgeoefend. (HR 6 juni 1931, NJ 1020).

Hier mag “noodzaak” niet worden uitgebreid tot alle situaties, waarin een aan een ziekte, gebrek of kwaal lijdende mens zich tevoren tevergeefs tot een of meer bevoegde geneeskundigen heeft gewend, daar het anders een ieder zou vrij staan aan allen, die vermenen of vermeend worden tot die categorie te behoren, voortaan geneeskundige raad of bij stand te verlenen, (HR 17 april 1921, NJ 464).

 

Vervolg tekst der wet.

Art. 2.
– 1. Onze Minister kan aan personen, die, na aldaar afgelegd examen, buiten Nederland de bevoegdheid tot uitoefening van de geneeskunst of van de verloskunst als verloskundige hebben verkregen, de bevoegdheid verlenen de geneeskunst, of de verloskunst als verloskundige in Nederland uit te oefenen.

– 2. Aan personen van Nederlandse nationaliteit kan, behoudens in bijzondere gevallen, een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid slechts worden verleend, indien de eisen voor het verkrijgen van de bevoegdheid de geneeskunst of de verloskunst als verloskundige uit te oefenen in het land, of in de tot dit land behorende staat of provincie, waarin het examen werd afgelegd, gelijkwaardig of nagenoemd gelijkwaardig zijn aan die, welke voor het verkrijgen van een zodanige bevoegdheid in Nederland worden gesteld.

– 3. Aan personen die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten kan, behoudens in bijzondere gevallen, een bevoegdheid, als bedoeld in het eerste lid , slechts worden verleend indien:

a. de door hen buiten Nederland verkregen bevoegdheid voldoet aan het bepaalde in het tweede lid, en

b. Nederlanders, bevoegd de geneeskunst of de verloskunst als verloskundige in Nederland uit te oefenen zonder het afleggen van een nader examen kunnen worden toegelaten tot de uitoefening van de geneeskunst of de verloskunst als verloskundige in het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit bezit, of in de tot dit land behorende staat of provincie, waarin de vreemdeling bevoegd is de praktijk uit te oefenen.

– 4. Onze Minister hoort, alvorens een bevoegdheid als bedoeld in dit artikel te verlenen, een Commissie van deskundigen, wier samenstelling, taak en werkwijze door Ons bij algemene maatregel van bestuur zal worden geregeld.

 

Art. 2. is aldus vastgesteld en de art. 2a-2f zijn ingevoegd bij de wet van 27 sept. 1962, Stb. 386. Bij die wet is tevens het “Londense” Koninklijk besluit van 20 sept. 1944, Stb. E 104, ingetrokken, met de bepaling dat vergunningen, verleend op grond van het bepaalde in artikel 1 van dat besluit, geacht worden te zijn verleend op grond van het bepaalde in de wet van 1962. Laatstgenoemde wet is ingevolge besluit van 27 aug, 1965, Stb. 418, in werking getreden met ingang van 7 oktober 1965.

Overeenkomsten tot wederzijdse toelating van geneeskundigen in grensgemeenten, tot uitoefening der geneeskunst enz., zijn gesloten met België op 28 april 1947, en met Duitsland op 11 december 1873.

De overeenkomst met Duitsland is door de Tweede Wereldoorlog vervallen.

Het besluit van 20 sept. 1949, Stb. J 437, bepaalt de bekendmaking in het Staatsblad van het op 28 april 1947 te Brussel ondertekend verdrag tussen Nederland en België betreffende de uitoefening van de geneeskunst in de grensgemeenten. Zie Stb. I 531.

Lid 4. Zie het onder de bijlagen dezer wet opgenomen besluit van 27 aug. 1965, Stb. 436.

Het beginsel der reciprociteit, dat in de meeste buitenlandse wetgevingen als regel wordt gehuldigd, zal ook in onze wet dienen te worden neergelegd. Een uitzondering op deze regel zou vanzelfsprekend moeten gelden voor vluchtelingen.

Ter vermijding van misverstanden, merkt de ondergetekende op, dat het bepaaldelijk niet in het voornemen ligt tot massale toelating van buitenlanders over te gaan. Men dient de ontworpen regeling meer te zien als een, die achter de hand gehouden kan worden, teneinde houders van buitenlandse diploma’s op medisch, tandheelkundig of verloskundig gebied tot de praktijk in Nederland toe te laten, voor het geval zulks gewenst of billijk moet worden geacht. (MvT)

Hoewel het niet in de bedoeling ligt door middel van deze regeling Nederlanders aan te moedigen een buitenlandse opleiding tot geneeskundige of vroedvrouw (verloskundige) te volgen, wordt het ook niet juist geacht. Nederlanders die door welke omstandigheden ook in het buitenland hebben gestudeerd, a priori van de toepassing van deze regeling uit te sluiten. (MvT)

Hoewel in de tekst van het voorgestelde artikel 2 van de wet van 1 juni 1865, Stb. 60, wordt gesproken van “personen”, dient hieruit niet te worden afgeleid dat de wet toelating beoogt, anders dan in individuele gevallen. Uit het voorgestelde vierde lid van evengenoemd artikel en uit het voorgestelde artikel 2b van bovengenoemde wet blijkt, dat elke toelating van een buitenlander tot de praktijk hier te lande als een op zichzelf staand geval dient te worden gezien.

Met betrekking tot de vraag welke situatie zou ontstaan, wanneer het EEG-Verdrag ten volle in werking zal zijn getreden, merkt de ondergetekende op dat het EEG-Verdrag beoogt een vrije vestiging van de onderdanen, beroepsbeoefenaren van de bij het verdrag aangesloten landen op elkaars territoir. Met de andere landen zal Nederland gehouden zijn om in de toekomst terzake vast te stellen richtlijnen na te leven. Het onderhavige ontwerp is nog niet op de dag te verwachten situatie afgestemd. Zulks lijkt thans niet wel mogelijk. De wet, eenmaal tot stand gekomen, zal derhalve waarschijnlijk moeten worden gewijzigd. Deze wet zal dus wel gebruikt kunnen en zelfs waarschijnlijk moeten worden om in de toekomst in EEG-verband het uitoefenen van de in dit ontwerp genoemde vrije beroepen te regelen. (noot: Inmiddels zijn de Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschap aanvaard en in de Nederlandse geneeskundige wetgeving verwerkt.)

De vraag, of het in het voornemen ligt deze weg te hanteren voor een massale toelating van buitenlanders ingeval de regering eens moeilijkheden mocht hebben met een bepaalde groepering in eigen land, kan de ondergetekende ontkennend beantwoorden.

Wat de toelating betreft van Surinaamse geneeskundigen tot de praktijk in volle omvang hier te lande, deelt de ondergetekende mede, dat zulks conform het individualiserende stelsel van het ontwerp van geval tot geval zou moeten worden bezien.

Het komt de ondergetekenden niet doenlijk voor, precies te omschrijven wat met de term “bijzondere gevallen” in artikel 2, derde lid, wordt bedoeld. Deze term is onder meer gekozen om te voorkomen, dat strikte toepassing van de wet tot onbillijkheden zou leiden. Hiervan zou dus bijvoorbeeld sprake zijn bij vluchtelingen.e ondergetekende beaamt, dat bij de toelating ook medisch-ethische gedragsregelen een rol zullen spelen. Het komt hem echter – in het midden gelaten of dit uitvoerbaar zou zijn – niet noodzakelijk voor, dit in de wet te omschrijven. De Minister zal er niet toe verplicht kunnen worden een buitenlandse arts tot de praktijk toe te laten, zelfs niet indien aan de eis van de gelijkwaardigheid van het diploma en de reciprociteit is voldaan. (MvA II)

Het komt de ondergetekende niet ondenkbaar voor dat hoewel de Surinaamse artsendiploma een geheel andere inhoud heeft dan het diploma dat na studie aan een Nederlandse universiteit wordt verworven, bedoelde commissie op grond van persoonlijke kwaliteiten van betrokkenen, de door hen opgedane medische ervaring en hun bekwaamheid ertoe zou kunnen besluiten de Minister te adviseren hen toe te laten tot de geneeskundige praktijk in haar gehele omvang.

De ondergetekende is het geheel en al eens met de aan het woord zijnde leden, waar deze stellen dat het geen aanbeveling verdient om in samenhang met de hulp, te verlenen aan de ontwikkelingslanden, over te gaan tot een gemakkelijk uitreiken van niet volwaardige diploma’s tot het verkrijgen van bevoegdheden, welke de Nederlanders pas na lange studie kunnen verwerven. (MvA I)

Vervolg tekst der wet.

Art. 2a.
– 1. Op personen, die op grond van het bepaalde in artikel 2 de bevoegdheid hebben verkregen tot uitoefening van de geneeskunst, of de verloskunst als verloskundige is het bepaalde in artikel 21 van de wet van 25 december 1878, Stb. 222 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de in dat artikel bedoelde eed of belofte wordt afgelegd in handen van de geneeskundig hoofdinspecteur van de Volksgezondheid.

– 2. Na het afleggen van de eed of de belofte hebben zij het recht, de titel van arts respectievelijk van verloskundige te voeren en zijn zij onderworpen aan de wettelijke regelingen, welke van toepassing zijn op artsen, respectievelijk verloskundigen.

Art. 2b.
– 1. Onze Minister kan aan een persoon, de aan deze krachtens artikel 2 verleende bevoegdheid ontnemen, indien na het verlenen van de bevoegdheid omstandigheden bekend zijn geworden, welke, indien zij daarvóór bekend waren geweest, redenen zouden hebben opgeleverd de bevoegdheid niet te verlenen. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan in de Nederlandse Staatscourant.

– 2. Ontneming van de bevoegdheid heeft van rechtswege tot gevolg dat betrokkene niet meer is toegelaten tot de uitoefening van de geneeskunst, respectievelijk de verloskunst als verloskundige.

Hierbij kan aan verschillende omstandigheden worden gedacht, onder andere aan het geval, dat achteraf van bepaalde antecedenten van de toegelaten geneeskundige blijkt, die, waren zij voorheen bekend geweest, zijn toelating in de weg zouden hebben gestaan, bijvoorbeeld een tuchtzaak of een strafvonnis. Het gaat om andere omstandigheden dan de gelijkwaardigheid van het diploma. Hiermede is dus tevens een antwoord gegeven op de vraag, of bij de beslissing omtrent de toelating ook andere criteria, die in de wet niet zijn neergelegd, een rol zullen spelen. In ieder geval zal worden overwogen of er voldoende waarborgen aanwezig zijn, dat de buitenlandse arts, die om toelating verzoekt, zich zal gedragen op een wijze zoals van een goed Nederlands arts mag worden verwacht. (MvT)

Vervolg tekst der wet.

Art. 2c.
– 1. Onze Minister kan personen, die, na aldaar afgelegd examen, buiten Nederland de bevoegdheid tot uitoefening van de geneeskunst hebben verkregen, al dan niet voor een bepaalde tijd, onder door hem te stellen beperkingen toelaten tot de uitoefening van geneeskunst in Nederland.

– 2. Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen ter uitvoering van het bepaalde in het vorige lid.

– 3. De in het eerste lid bedoelde personen zijn binnen de beperkingen waaronder zij zijn toegelaten tot de uitoefening van geneeskunst onderworpen aan de wettelijke regelingen, welke van toepassing zijn op artsen.

– 4. Onze Minister kan een beschikking houdende toelating tot de uitoefening van geneeskunst als bedoeld in het eerste lid intrekken, indien na de toelating omstandigheden bekend zijn geworden, welke, indien zij daarvóór bekend waren geweest, redenen zouden hebben opgeleverd betrokkene niet toe te laten tot de uitoefening van geneeskunst. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan in de Nederlandse Staatscourant.

Lid 2. Zie het onder de overige regelgeving opgenomen besluit van 27 augustus 1965, Stb. 436.

Bij de wet van 12 mei 1966, Stb. 226, is goedgekeurd de op 17 november 1964 tussen de Nederlandse en de Noorse regering tot stand gekomen Overeenkomst inzake de vestiging van een gezondheidscentrum voor zeeIieden in Rotterdam.

Tekst en vertaling zie Trb. 1964, 174.

De bevoegdheid van de medici en tandartsen zal steunen op de wet van 27 september 1962, Stb. 386. In het onderhavige geval zal sprake zijn van bijzondere voorwaarden: de Noorse artsen en tandartsen zullen de praktijk alleen mogen uitoefenen ten aanzien van Noorse zeelieden en van zeelieden, varende op Noorse schepen (Toelichtende nota). De artsen en tandartsen dienen in het bezit te zijn van een door de Nederlandse regering erkend diploma in de geneeskunde of de tandheelkunde, dat hun de bevoegdheid geeft hun werkzaamheden binnen het kader van deze overeenkomst uit te oefenen (Overeenkomst, art. 1, eerste lid).

De taak van het medisch centrum omvat volgens artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst:

a. het regelmatig aan een geneeskundig onderzoek onderwerpen van zeelieden vóór hun aanmonstering op Noorse schepen;

b. het houden van aantekening inzake de gezondheidstoestand van, en het uitoefenen van de preventieve geneeskunde met betrekking tot, Noorse zeelieden die tijdens hun verblijf in Nederland werk zoeken, alsmede met betrekking tot zeelieden die op in Nederland liggende Noorse schepen werkzaam zijn, voorts het verlenen aan bovengenoemde zeelieden van de nodige geneeskundige en tandheelkundige hulp en het hun voorschrijven van de nodige geneesmiddelen. Wanneer een ziekte of letsel verdere behandeling die niet door het medisch centrum kan worden verschaft, nodig maakt en in al die gevallen waarin behandeling of observatie in een ziekenhuis nodig wordt geoordeeld, worden de betrokken zeelieden gerepatrieerd of verwezen naar een arts, tandarts of ziekenhuis in Nederland;

c. het uitoefenen van controle op de geneesmiddelenvoorraad aan boord van in Nederland liggende Noorse schepen.

Behandeling ook van geslachtsziekten zal niet plaats vinden in het centrum, indien verdere behandeling niet door het centrum kan worden verschaft. Zowel Nederland als Noorwegen zijn toegetreden tot de Conventie van Brussel (1 dec. 1923; zie besluit van 28 okt, 1930, Stb. 414); naar het dienovereenkomstig ingerichte centrum van behandeling zullen in daarvoor in aanmerking komende gevallen de zeelieden zeker worden verwezen.

De toelating, in overeenstemming met de bepalingen van de Wet van 1962, brengt met zich dat deze Noren (binnen de beperkingen waaronder zij zijn toegelaten) onderworpen 2ijn aan de wettelijke regelingen, welke van toepassing zijn op artsen en tandartsen, en mitsdien aan de bepalingen van de Medische Tuchtwet (MvA II).

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 2d.
– 1. Zij, die als geneeskundige zijn verbonden aan een in Nederland verblijvend onderdeel van een bondgenootschappelijke krijgsmacht, zij n niet alleen bevoegd de geneeskunst uit te oefenen ten aanzien van het tot dat onderdeel behorende personeel, doch ook ten aanzien van de gezinsleden daarvan.

– 2. Hun bevoegdheid de geneeskunst uit te oefenen strekt zich mede uit ten aanzien van Nederlandse militairen, indien de bevoegde Nederlandse Autoriteit zulks heeft verzocht.

Art. 2e. Onze Minister kan, indien zich een noodtoestand op het gebied der volksgezondheid voordoet, aan personen, hoewel volgens de wet niet bevoegd, de uitoefening der geneeskunst onder bepaalde voorwaarden vergunnen. Die vergunning kan te allen tijde ingetrokken worden. Van de intrekking van deze vergunning wordt mededeling gedaan in de Nederlandse Staatscourant.

Art. 2f. Van een beschikking van Onze Minister tot weigering of intrekking van een vergunning tot uitoefening van de geneeskunst of van de verloskunst als verloskundige kan binnen zes weken na verzending van die beschikking door de betrokkene bij Ons beroep worden ingesteld. Zolang Wij op het beroep niet hebben beslist, blijft de beschikking van Onze Minister van kracht.

Art. 2g. (noot: Verwezen moge worden naar de Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschap van 16 juni 1975, 75/362, 363 , 364, 365, 366 en 367/EEG. (PB no. L 167). Voor wat de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde betreft zij verwezen naar de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschap van 15 september 1986, 86/457/EEG (PB no. L 267/26).)

– 1. Onderdanen van de lid-staten der Europese Economische Gemeenschap, die in Nederland zijn gevestigd en in één der lid-staten een getuigschrift hebben verkregen dat door Onze Minister is aangewezen, zijn bevoegd de geneeskunst of de verloskunst als verloskundige in Nederland uit te oefenen. De artikelen 2 en 2c zijn ten aanzien van hen niet van toepassing. Artikel 2a is op hen van overeenkomstige toepassing.

– 2. Onderdanen van de lid-staten der Europese Economische Gemeenschap, die buiten Nederland in één der lid-staten zijn gevestigd als beoefenaar van de geneeskunst of van de verloskunst als verloskundige en een getuigschrift hebben verkregen dat krachtens het eerste lid door Onze Minister is aangewezen, zijn bevoegd in de uitoefening van hun beroep diensten te verlenen aan personen hier te lande. De artikelen 2 en 2c zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat zij voor de toepassing van die bepaling geen eed of belofte, als in dat lid bedoeld, behoeven af te leggen.

– 3. In geval van een dienstverlening in Nederland, ten aanzien waarvan het tweede lid van toepassing is, is de betrokkene gehouden deze van te voren schriftelijk aan Onze Minister te melden onder overlegging van de volgende bescheiden:

a. een bewijsstuk waaruit blijkt dat de betrokkene de desbetreffende werkzaamheden in de lid-staat waar hij gevestigd is, wettig uitoefent;

b. een bewijsstuk dat de betrokkene het getuigschrift bezit dat voor de bedoelde dienstverlening is vereist.

In spoedgevallen kan worden volstaan met overlegging van de in de eerste volzin bedoelde bescheiden zo spoedig mogelijk na de dienstverlening.

– 4. De in het derde lid bedoelde bescheiden mogen bij overlegging niet ouder zijn dan twaalf maanden.

– 5. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid worden met onderdanen van de lid-staten der Europese Economische Gemeenschap, die in het bezit zijn van een getuigschrift dat krachtens het eerste lid door Onze Minister is aangewezen, gelijkgesteld de onderdanen van de lid-staten die vóór een door Onze Minister vast te stellen tijdstip een op de bekwaamheid tot het uitoefenen van hun beroep betrekking hebbend ander getuigschrift van één der lid-staten hebben verkregen indien zij, blijkens een door een lid-staat afgegeven verklaring die aan door Onze Minister te stellen eisen voldoet, hun beroep in de loop van de laatste vijf jaar, aan de afgifte van die verklaring voorafgaande, ten minste drie jaar achtereen daadwerkelijk en op wettige wijze hebben uitgeoefend.

– 6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van onderdanen van de lid-staten der Europese Economische Gemeenschap, die een op de bekwaamheid tot het uitoefenen van het beroep van geneeskundige betrekking hebbend ander getuigschrift van één der lid-staten hebben verkregen ter afsluiting van een opleiding tot geneeskundige, welke vóór het krachtens het vorige lid vastgestelde tijdstip is aangevangen en eerst nadien is voltooid.

– 7. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van onderdanen van de lid-staten der Europese Economische Gemeenschap, op wie een maatregel, berustende op een rechterlijke, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke beslissing van toepassing is, op grond waarvan zij hun rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing genomen is, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend hebben verloren.

– 8. In hetgeen verder ter uitvoering van de richtlijnen der Europese Economische Gemeenschap inzake geneeskundigen en verloskundigen regeling behoeft, wordt voorzien door Onze Minister.

Art. 3.
– 1. Alleen de geneeskundige mag binnen de grenzen zijner bevoegdheid in het openbaar aankondigen, dat hij de geneeskunst uitoefent, of een titel voeren, die hem aan het publiek als geneeskundige aanwijst.

– 2. Alleen de verloskundige mag in het openbaar aankondigen dat hij de verloskunst als verloskundige uitoefent, of een titel voeren, die hem aan het publiek als verloskundige aanwijst.

Het tweede lid is toegevoegd bij de wet van 25 maart 1971, Stb. 253.

Onder “geneeskunst” is tandheelkunde begrepen. (HR 1 april 1901, W. 7589).

Het voeren van een titel van “homoeopaath” door iemand die geen geneeskundige is, is in strijd met art. 3 (HR 22 mei 1905, W. 8227, CV. Zie ook HR 29 mei 1916, NJ 672, AB 1916, 250, W. 9976, CV).

Onder “uitoefenen der geneeskunst” in art. 3 moet worden verstaan het uitoefenen der geneeskunde hier te lande. (HR 13 juni 1905 , W. 8243).

Geappelleerde – wiens Duitse titel is “Dentist” – heeft door op de kaartjes achter zijn naam te vermelden “gedipl. Dentist” een titel gevoerd, die hem aan het publiek, dat zijn wachtkamer bezocht of hem te spreken vroeg, als geneeskundige aanwees. (Rechtbank Amsterdam 14 april 1936, AB 1936, 884).

De grief, dat het t.a.v. rekw. bewezen verklaarde niet zou opleveren het aankondigen van de uitoefening van geneeskunst, daar het opschrift “Diëetobservatie” noch wijst op een onderzoek noch op het aanraden van een bepaald middel, doch slechts op contrôle over de juiste naleving van een door een bevoegd geneesheer voorgeschreven diëet, faalt, daar volgens de bewezenverklaring het opschrift niet luidde: “Dieetobservatie”, doch “Dieet Observatie” en voorts daaronder “Dr. F…”. (HR 17 april 1939, NJ 1939, 912)

Zie het arrest van de HR van 31 okt. 1938, vermeld bij artikel 1.

Vervolg van de tekst der wet.

§ 2. Van de geneeskundigen en de
verloskundigen

Art. 4. Alvorens de praktijk uit te oefenen, doen de geneeskundigen en verloskundigen hun bewijs van bevoegdheid viseren door den met het toezigt op de handhaving van deze wet belasten inspecteur van het district, waarin zij zich met der woon vestigen.

Bij de aanvraag tot het verleenen van dit visum moet het wettelijk bewijs van deze vestiging worden overgelegd.

Zij geven, onder vertoon van het geviseerd bewijs van bevoegdheid, aan den burgemeester hunner woonplaats kennis van hunne vestiging als geneeskundige of verloskundige daar ter plaatse. Bij een tijdelijk verblijf ter uitoefening der praktijk vertoont de geneeskundige vooraf aan den burgemeester der gemeente zijn bewijs van bevoegdheid, geviseerd door den met het toezigt op de handhaving van deze wet belasten inspecteur van het district, waarin hij met der woon is gevestigd.

Zie voor de mededeling aan het Staatstoezicht van kennisgevingen van vestiging enz.: art. 42 Gezondheidswet (Stb. 1956, 51) en het daarop gebaseerde Besluit kennisgeving mutaties Gezondheidswet (Stb. 1959, 284).

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 5. Tegelijk met de afgifte der verklaring van overlijden, bedoeld in artikel 29j, artikel 29k of artikel 29l van de Wet op de lijkbezorging, doet de geneeskundige opgave van de doodsoorzaak en van daarmede onmiddellijk samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek.

Indien een lijk wordt begraven of verbrand krachtens een verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in artikel 4 dier wet, wordt de opgave gedaan door een geneeskundige, aangewezen door de officier van justitie.

Art. 6. De opgave, bedoeld in het voorgaande artikel, geschiedt bij een gesloten brief in de door Onze Minister bepaalde vorm. Aan deze brief is een strook bevestigd, welke de identiteit van de overledene vaststelt.

De geneeskundige doet de brief zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar van de burgerlijke stand toekomen. Deze zendt de brief ongeopend, voorzover mogelijk voorzien van het nummer der overlijdensakte, onder achterhouding van de strook en met inachtneming van door Onze Minister te stellen termijnen, aan de geneeskundige hoofdinspecteur van de volksgezondheid. Onze Minister kan bepalen dat deze brieven rechtstreeks zullen worden gezonden aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

De artikelen 5 en 6 zijn in deze vorm nieuw ingevoegd bij de Gezondheidswet (Stb. 1956, 51), ter vervanging van het toen geldende artikel 5, terwijl artikel 6 (oud) reeds was vervallen ingevolge de Besmettelijke-Ziektenwet (Stb. l928, 26S). De nieuwe artikelen zijn op 1 november 1956 in werking getreden.

De brief, waarvan in artikel 6 sprake is, is het zogenaamde doodsbriefje B. Zie voor het formulier de onder de bijlagen van deze wet opgenomen beschikking van de Minister van Sociale Zaken en

Volksgezondheid van 10 augustus 1957 Stcrt. 163. De verklaring van overlijden ingevolge de Wet op de lijkbezorging wordt het doodsbriefje A genoemd.

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 7. Zij geven binnen veertien dagen na de afloop van een verrichte vaccinatie, of van de behandeling van een lijder aan kinderpokken (variolae) het bewijs daarvan aan de belanghebbende af.

Een duplicaat daarvan wordt door hen bewaard, en uiterlijk één maand na de verrichting of behandeling, daarbij vermeld, aan het gemeentebestuur gezonden.

Dit artikel is aldus gewijzigd bij de wet van 5 maart 1953, Stb. 130, tot herziening van de Inentingswet 1939.

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 8. Zij bepalen op het recept duidelijk de datum, waarop het wordt voorgeschreven, hun naam en woonplaats, de naam van de patiënt of letters en cijfers ter vervanging daarvan, de wijze van gebruik van het middel en paraferen of ondertekenen het recept.

Dit artikel is aldus nieuw vastgesteld bij de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. Aan het woord “recept” moet naar de wet van 1 juni 1865, Stb. 60, de betekenis worden gegeven van het gewone spraakgebruik. Volgens dat spraakgebruik moet onder recept worden verstaan een door de geneeskundige gegeven schriftelijk voorschrift tot aanwending van in dat geschrift bepaald opgegeven middelen ten behoeve van iemands gezondheid houdende tevens de opdracht aan een apotheker tot aflevering der daarin omschreven middelen. (HR 4 december 1911, W. 9258).

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 9. De uitoefening der artsenijbereidkunst is verboden aan allen, die de geneeskunst uitoefenen, ook indien zij de hoedanigheid van apotheker bezitten, behoudens het bepaalde in de artikelen 6, 10 en 34 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening.

Dit artikel is aldus laatstelijk gewijzigd bij de Wet op de geneesmiddelenvoorziening.

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 10. De geneeskundigen, die de bevoegdheid tot het leveren van geneesmiddelen niet bezitten, mogen, bij geheime ziekten, de geneesmiddelen aan de zieken leveren, mits die middelen in den vorm, waarin zij gebruikt worden, aan hen zelven door eenen apotheker afgeleverd en van diens zegel voorzien zijn.

Bij de Wet op de geneesmiddelenvoorziening is in dit artikel vóór de woorden “niet bezitten” een zinsnede, luidende “ingevolge de bepaling van het voorgaande artikel” geschrapt.

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 11. Het is hun verboden met eenen apotheker regtstreeks of zijdelings eene overeenkomst aan te gaan over het leveren van geneesmiddelen aan hunne zieken.

Art. 12. De geneeskundigen, die zich voor den dienst op schepen verbinden, doen bij het ondernemen van elke reis de bewijzen hunner bevoegdheid viseren door den met het toezigt op de handhaving van deze wet belasten inspecteur.

Zij worden niet op de monsterrol gebragt dan op vertoon dezer geviseerde bewijzen.

Art. 13. (Vervallen.)(noot: Dit artikel is ingetrokken bij de Wet op de geneesmiddelenvoorziening.)

Art. 14. (Vervallen.)(noot: Dit artikel is ingetrokken bij de Wet op de geneesmiddelenvoorziening.)

Art. 15. De verloskundige is bevoegd aan zwangeren raad of bijstand te geven met betrekking tot de zwangerschap, met dien verstande, dat hij bevoegd is tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van afwijkingen, daaronder begrepen het afnemen van bloed voor onderzoek, terwijl hij tot het nemen van maatregelen bij het waarnemen van afwijkingen slechts bevoegd is, indien en voorzover deze maatregelen door Onze met de uitvoering van deze wet belaste Minister zijn aangegeven.

In alle andere gevallen is hij verplicht de waargenomen afwijkingen ter kennis te brengen van een door de zwangere aan te wijzen geneeskundige.

Art. 15a. Voorts is de verloskundige bevoegd om van de zwangere en van de kraamvrouw, die hij raad en bijstand geeft, materiaal voor het maken van cytologische preparaten af te nemen volgens door Onze met de uitvoering van deze wet belaste Minister te stellen regelen.

Art. 16. De verloskundige is bevoegd tot het verlenen van verloskundige raad of bijstand bij normale bevallingen. Onder bevalling wordt verstaan de uitstoting van het ei na een zwangerschap van tenminste achttien weken.

De verloskundige is bevoegd tot het verrichten van episiotomieën en het hechten daarvan, al dan niet gepaard gaande met het toebrengen van plaatselijke verdoving met behulp van door Onze met de uitvoering van deze wet belaste Minister aangewezen middelen.

Zodra de verloskundige bemerkt, dat het verrichten van enige andere verloskundige kunstbewerking nodig is of zal worden, draagt hij zorg, dat ten spoedigste de hulp van een geneeskundige wordt ingeroepen.

Indien een geneeskundige niet aanwezig is op een tijdstip, waarop een noodzakelijke verloskundige kunstbewerking moet plaats hebben, welke niet langer kan worden uitgesteld en zonder gebruikmaking van verloskundige instrumenten kan geschieden, gaat de verloskundige zelf tot het verrichten van die kunstbewerking over.

Art. 16a. De verloskundige is bevoegd tot het hechten van inscheuringen van beperkte omvang, al dan niet gepaard gaande met het toebrengen van plaatselijke verdoving met behulp van door Onze met de uitvoering van deze wet belaste Minister aangewezen middelen, mits de ter zake door die Minister gestelde regelen in acht worden genomen.

Hij is bevoegd de kraamvrouw te behandelen zolang het in verband met haar toestand nodig is, en toe te zien op de toestand van het kind, een en ander zolang zich geen afwijkingen voordoen. Hij is bevoegd tot het afnemen van bloed van het kind voor onderzoek.

Bij het waarnemen van afwijkingen bij kraamvrouw of kind is hij verplicht de hulp van een door de kraamvrouw aangewezen geneeskundige in te roepen.

Art. 16b. Tot het toedienen van geneesmiddelen anders dan ingevolge voorschrift van een geneeskundige is de verloskundige bevoegd voor zover die middelen daartoe door Onze met de uitvoering van deze wet belaste Minister zijn aangewezen en de ter zake door de Minister gestelde regelen in acht worden genomen. Zodra de verloskundige bemerkt dat toediening van een geneesmiddel nodig is of zal worden, en hij daartoe niet bevoegd is, draagt hij zorg dat ten spoedigste de hulp van een geneeskundige wordt ingeroepen.

Art. 16c. De verloskundige is verplicht van iedere bevalling kennis te geven aan de huisarts van de kraamvrouw, volgens door Onze met de uitvoering van deze wet belaste Minister te stellen regelen.

Dit artikel is ingevoegd bij de wet van 1 juni 1951, Stb. 201.

Zie de hierna opgenomen beschikking van 12 juli 1951, Stcrt. 1951, 135.

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 17. De verloskundige maakt van zijn verrichtingen schriftelijk verslag op in een vorm nader vast te stellen door Onze met de uitvoering van deze wet belaste Minister.

Hij geeft aan de geneeskundige inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, binnen wiens ambtsgebied hij is gevestigd, in de gevallen, waarin deze zulks wenselijk acht, de door deze gevraagde inlichtingen in de vorm en binnen de tijd door deze vastgesteld, daaronder begrepen het geven van inzage van de door hem opgemaakte verslagen en het verstrekken van uittreksels daaruit.

Hij zendt jaarlijks vóór de maand April de door hem in het afgelopen jaar opgemaakte verslagen als bedoeld in het eerste lid, echter zonder vermelding van namen en adressen der kraamvrouwen, aan de geneeskundige hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, die de verslagen na kennisneming aan hem terugzendt.

Het is de bedoeling een nieuw model voor het dagboek voortaan “verslag” genoemd, vast te stellen, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de administratie van de consultatiebureau’s voor praenatale zorg. De bevoegdheden van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid ten aanzien van de verslagen, met het oog op de toezichthoudende taak der inspectie, worden scherper dan voorheen omschreven in het nieuwe tweede lid. Daarnaast wordt ten behoeve van de statistische verwerking van de gegevens, die van groot belang is in het kader van de moederschapszorg in haar geheel, in het derde lid regelmatige toezending van de verslagen in anonieme vorm aan de hoofdinspecteur voorgeschreven. Het is de bedoeling, dat kaarten zullen worden ingevoerd, waarbij de naam en het adres slechts voorkomen op een aangehechte strook, die kan worden afgescheurd. Op deze wijze kunnen de gegevens uit het gehele land regelmatig worden verwerkt, zonder dat aan het beroepsgeheim zonder noodzaak afbreuk wordt gedaan. (MvT)

Lid 2. Zie de onder de bijlagen dezer wet opgenomen beschikking van 27 maart 1979, Stcrt. 65.

Vervolg van de tekst der wet.

§ 3. Strafbepalingen

Art. 18.
– 1. Een persoon die de geneeskunst of de verloskunst als verloskundige uitoefent, wetende dat hem de bevoegdheid daartoe is ontnomen krachtens het bepaalde in artikel 2b, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

– 2. Hij, die de geneeskunst uitoefent, wetende dat de beschikking waarbij hij is toegelaten tot de uitoefening van geneeskunst is ingetrokken ingevolge het bepaalde in het vierde lid van artikel 2c, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

– 3. De in de vorige leden strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

Dit artikel is aldus vastgesteld bij de wet van 27 september 1962, Stb. 386. Het oorspronkelijke artikel 18 is vervallen ingevolge de wet van 15 april 1886 Stb. 64.

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 19. Overtreding van andere voorschriften dezer wet en het verzuim van kennisgeving aan den met het toezigt op de handhaving van deze wet belasten inspecteur binnen 24 uren door den geneeskundige van het verrigten eener kunstbewerking, waartoe hij niet dan ingeval van nood bevoegd is, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.

Bij herhaling van dezelfde overtreding binnen twee jaren sedert de vroegere veroordeling van den schuldige onherroepelijk is geworden, of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald, kan geldboete van de derde categorie of eene hechtenisstraf van een dag tot één jaar opgelegd worden.

§ 4. Overgangsbepalingen

Art. 20. De geneeskundigen, die bij de invoering dezer wet tot het leveren van geneesmiddelen bevoegd zijn, behouden die bevoegdheid zoolang zij in de plaats gevestigd blijven, waarin zij op dat tijdstip gevestigd waren.

De overgangsbepaling van de wet van 1 juni 1951 Stb. 201 (uitbreiding bevoegdheid vroedvrouwen) luidt:

De vroedvrouwen, die haar bevoegdheid verkregen hebben vóór de dag van inwerkingtreding van deze wet, verkrijgen de in deze wet neergelegde verruiming van haar bevoegdheid eerst door et leveren van een bewijs van bekwaamheid na het volgen van aanvullende lessen, volgens voorschriften van Onze met de uitvoering van deze wet belaste Minister.

Zie de beschikking van 12 juli 1951, Stcrt. 1951, 135, onder de overige regelgeving opgenomen.

De overgangsbepaling van de wet van 1 september 1978, Stb. 505, luidt:

1. Met betrekking tot de verloskundigen die hun bevoegdheid als zodanig hebben verkregen vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet, blijft de in artikel I genoemde wet (Wet van 1 juni 1865, Stb. 60, regelende de uitoefening der geneeskunst), zoals deze luidde onmiddellijk vóór dat tijdstip, van toepassing.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de verloskundige aan wie een verklaring is afgegeven waaruit blijkt dat hij

a. reeds bij de opleiding tot het examen op grond waarvan hij de bevoegdheid als zodanig heeft verkregen, naar het oordeel van de opleidingsinstelling voldoende onderricht heeft genoten om de overeenkomstige wet verruimde bevoegdheid te kunnen uitoefenen, of

b. met goed gevolg aan een door Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne aangewezen instelling en overeenkomstig door die Minister gestelde regelen een daarop gerichte bijscholing heeft gevolgd.

3. De in het tweede lid bedoelde verklaringen worden uitgereikt volgens door Onze in dat lid genoemde Minister te stellen regelen en worden opgemaakt overeenkomstig een door die Minister vast te stellen model.

4. Het in artikel 4 van de in artikel I genoemde wet (Wet van 1 juni 1865 , Stb. 603 , met betrekking tot het bewijs van bevoegdheid bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde verklaring (artikel XII).

Vervolg van de tekst der wet.

Art. 21. Allen, die bij invoering dezer wet bevoegd zijn de geneeskunst in haren geheelen omvang of gedeeltelijk uit te oefenen, zijn verpligt binnen zes maanden de bewijzen hunner bevoegdheid te laten viseren door den inspecteur der provincie, waarin zij met der woon gevestigd zijn.

Art. 22. De wetten van 12 Maart 1818 (Stb. no. 16), van 27 Maart 1838 (Stb. no. 10) en van 28 junij 1816 (Stb. no. 32), de verordeningen ter uitvoering dier wetten en alle verdere verordeningen, in strijd met de bepalingen dezer wet, zijn ingetrokken.

Art. 23. Deze wet treedt in werking vóór of op den 1sten Januarij 1866.

Bij besluit van 3 juni 1865, Stb. 64, bepaald op 1 november 1865.

Vervolg van de tekst der wet.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegiën en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ‘s-Gravenhage, den 1 Junij 1865.

WILLEM

De Minister van Binnenlandse Zaken,

Thorbecke

Uitgegeven twee juni 1865.

 

de Webredactie

Gerelateerde artikelen

artikelen - 18 mei 2019

VtdK-opinie in NRC: China’s promotie van de eigen ‘traditionele’ geneeskunst dient vooral een commercieel doel.

tijdschrift - 08 januari 2019

De BIG viert zijn zilveren jubileum maar is inmiddels verworden tot het gouden kalf van de kwakzalverij. Een korte beschouwing.