Is gevoeligheid voor kwakzalverij een teken van domheid?

Is gevoeligheid voor kwakzalverij een teken van domheid?

Sag mal, verehrtes Publikum: bist du wirklich so dumm?
Kurt Tucholsky, An das Publikum (1931)

Deze vraag stond centraal in een korte maar hevige polemiek, geïnitieerd door de Amsterdamse etnoloog Peter Jan Margry, verbonden aan het Meertens Instituut, die in september 2016 een congres organiseerde over Europese etnologie. Wij berichtten hier reeds over in het decembernummer van ons blad.

Margry deed onderzoek in zijn eigen panel en betoonde zich verbaasd dat zijn vragenlijsten aantoonden dat 83 procent van de mensen die een alternatieve genezer bezoeken, een hbo- of wo-opleiding heeft gevolgd. Wij wisten dat reeds lang, maar Margry noemde het paradoxaal, want “de gedachte is vaak dat hoogopgeleiden zich niet met alternatieve geneeswijzen zouden inlaten”.

Volgens Margry noemt de VtdK gebruikers van alternatieve behandelingen onnozel. Ten onrechte, ziet Margry in zijn enquête. “Mensen beseffen in de regel dat de werking onbewezen is, maar toch kiezen zij ervoor, vooral omdat het velen het gevoel geeft dat er aandacht voor hen is en dat het hen helpt.”

Of de VtdK de gebruikers van kwakzalverij afschildert, dat zou ik niet zo snel weten, maar er zal vast in alle jaargangen van ons Tijdschrift en de rijke informatiebron, die in onze website te vinden is, wel eens steun voor die bewering gevonden kunnen worden.

Vage pijnklachten

Hoe erg of onjuist zou dat trouwens zijn? De meeste enquêteantwoorden moeten nog goed worden onderzocht, maar Margry kan wel een indruk geven. “Het overgrote deel van de mensen die gebruikmaken van alternatieve geneeswijzen, heeft vage pijnklachten die niet weggaan. Maar ook mensen met huidziektes, stofwisselingsproblemen, moeheid, lusteloosheid, stress, zenuwpijn, RSI en hyperventilatie zoeken naar alternatieve oplossingen.”

Het is van belang dat patiënten weten waar zij aan toe zijn, vindt hij. Om te eindigen met zijn hartenkreet: “Het past niet meer alle consumenten van alternatieve geneeswijzen als naïeve idioten af te schilderen: dan veroordeel je een groot deel van de bevolking.”

Alternatieve therapieën hebben het tij mee: zo’n miljoen gebruikers, vaak hoogopgeleid. Etnoloog Peter Jan Margry: “Zijn dat allemaal naïeve idioten?” 

Over een antwoord op die laatste vraag kunnen wij lang discussiëren, maar het meest gecharmeerd was ik van de tweet van dr. Arie Kruseman, gepensioneerd hoogleraar interne geneeskunde en oud rector van de Maastrichtse universiteit, alsmede oud-voorzitter van de KNMG. Met dit CV heeft hij wel recht van spreken, want zijn hele loopbaan heeft hij hoger opgeleiden voortgebracht. Zijn tweet liet aan duidelijkheid weinig te wensen over en verschilde opvallend van de mening van onze etnoloog: ‘Etnoloog vraagt zich af of hoger opgeleide die gelooft in kwakzalverij een naïeve idioot is. Het antwoord is ja.’

Gokje

De verklaring voor dat al zo lang bekende fenomeen dat hoger opgeleiden zich vaker onderwerpen aan kwakzalvers is tweevoudig. Hoger opgeleiden hebben in het algemeen een hoger inkomen dan lager opgeleiden en kunnen zich een gokje permitteren. Daarnaast staan zij wellicht wat kritischer ten opzichte van de reguliere geneeskunde en menen zelf wel te kunnen beoordelen wat goed voor hen is. Het publieke debat was kort maar hevig en wij gingen over tot de orde van de dag.

Maar niet voor lang, want in januari 2017 was het opnieuw raak. Ik was spreker op een door medisch studenten georganiseerd congres, gewijd aan ‘Global Health’ en de andere sprekers waren decaan Jaap Koot, Emiel van Galen de homeopathie-expert van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, ‘integratief psychiater’ Rogier Hoenders, John Jaarsveld, acupuncturist en apotheker Lisette Wijnkoop over medicinale cannabis.

De titel van mijn voordracht luidde ‘Complementary medicine or why do people choose unproven therapies?’. Het congres was geheel Engelstalig, want een deel van de medisch studenten in Groningen die global health als voorkeur kiezen krijgen drie lang alles in het Engels en dat programma trekt ook veel buitenlandse studenten.

Met zo’n driehonderd studenten in de zaal was te symposium goed bezocht. Ter verklaring van de aantrekkingskracht die kwakzalverij heeft memoreerde ik de gebruikelijke serie en algemeen bekende factoren, zoals ik die reeds in 1992 in mijn boekje Hedendaagse kwakzalverij aandroeg. Ik betoogde dat kwakzalverij altijd schadelijk is en de consumptie ervan in ons land in 1993 (het ‘rampjaar’) een piek bereikte (meer dan 6% van de bevolking bezocht een alternatieve genezer), daarna lange tijd ongeveer gelijk bleef om sinds enkele jaren te gaan afnemen. Voor geneeswijzen uit de Derde wereld toonde ik weinig respect en ik gun ook de mensen daar aangetoond effectieve gezondheidszorg.

D-woord

Direct in de eerste koffiepauze werd ik aan geklampt door ene Hans Hogerzeil, die – naar mij later bleek – leider was van de Groningse Global Health Bachelor opleiding en hij is – net als ik – oud-tropenarts en was jaren werkzaam bij de WHO, waarover ik mij kritisch uitliet. Op hoge toon werd ik aangesproken op het feit dat ik in mijn toespraak werd tot drie keer het D-woord had uitgesproken. Ik was mij van geen kwaad bewust, maar Hogerzeil wist het zeker en betoogde dat ik bij mijn presentatie van de CBS-cijfers over de alternatieve consumptie en de overrepresentatie daarin van hoger opgeleiden had moeten wijzen op confounders zoals een hoger inkomen.

Hoe vaak ik ook herhaalde dat ik slechts CBS-cijfers gaf en daarbij geen verdere analyse had gedaan, hij bleef mij zeer verontwaardigd aanvallen. Driftig nadenkend kon ik mij inderdaad drie gevallen van gebruik van het D-woord herinneren. De eerste was het mooie citaat van Schiller: ‘Gegen Dummheit kämpfen selbst die Götter vergebens’. Fraai is ook het dictum (Hanlon’s Razor) dat Pepijn van Erp zelfs in zijn twitter-cv heeft opgenomen: ‘Never attribute to malice that which is adequately explained by stupidity.’

Mijn derde citaat betrof de Wet van Bandolini: Het kost oneindig meer energie om onzin te weerleggen dan te produceren. Maar het D-woord komt hier eigenlijk niet eens expliciet in voor. Wij werden het niet eens en de bel ging voor de voortzetting van het congres.

Tijdens de plenaire nabespreking besteedde Hogerzeil een deel van de hem toegemeten tijd om mij gebrek aan respect voor andersdenkenden te verwijten, waarop ik mijn voorkeur voor een pittig debat uitsprak en in het onweersproken tolereren van onzinnige denkbeelden (ook als zij uit de Derde Wereld afkomstig zijn) meer kwaad en juist minder respect zag dan in het edelmoedig trachten dwalende geesten te overtuigen van hun ongelijk.

Karel van het Reve schreef in 1949 in De Vrije Katheder ter gelegenheid van de Poesjkin-herdenking liefdevol over deze door hem zeer bewonderde schrijver. Hij schreef dat Poesjkin in Rusland onverminderd geliefd was en gelezen werd en hoopte dat er ook in het Westen meer werken van de Onsterfelijke zouden worden uitgegeven.

Alexander Poesjkin zou dan, aldus Van het Reve, in al zijn veelzijdigheid gelezen worden als ‘een der grootste dichters van de negentiende eeuw, als de man die, midden in de strijd van zijn dagen staande, schreef naar hem goed dacht, lof en laster onbewogen in ontvangst nemend en niet trachtend tegen de dommen te redeneren’.

Permitteren

Als kwakzalverijbestrijder kan ik mij in een deel van deze beschrijving vinden, maar het achterwege laten van redeneren tegen dommen of tegen andersdenkenden, die luxe kunnen wij ons helaas niet permitteren. Wij zijn daarvoor juist opgericht. Zonder Hogerzeil ook maar in het minst op een lijn te stellen met de vrouw die de schrijver A.L. Snijders geneeskrachtig water wilde slijten wil ik toch uit zijn zeer korte verhaal Water (p. 541 uit Vijf bijlen; 2009) enige goede raad destilleren.

Hij vraagt zich in dat verhaal namelijk af hoe je je moet gedragen tegen halvegaren: begrijpend, arrogant, bits, afstandelijk, lacherig of vriendelijk? De kwakzalfster trachtte hem ‘geïnformeerd’ water te verkopen. Snijders leest veel gedichten om zijn geest te trainen en deuren te openen naar het ongeziene.

Zelf ontbreekt het hem aan verbeelding. Hij neemt zijn toevlucht tot een gedicht van Bertold Brecht, dat bij hem aan de muur hangt: ‘Der erste Blick aus den Fenster an Morgen’. Het is een opsomming van dingen, gevoelens en voornemens. De laatste woorden: ‘Freundlich sein’.

Snijders is eruit: in die geest gaat hij de waterdame te woord staan. Helaas, dat is natuurlijk gemakkelijkste weg en die kan ik mij niet veroorloven. Ik heb gelukkig na enig zoeken inmiddels een citaat gevonden dat mij meer tot voorbeeld strekt en dat ook nog afkomstig is van de Groningse stadsmedicus Bernhardus Dessenius Cronenburgh ( 1510-1574), geciteerd in Huisman’s Gezond weer op . Dessenius was niet erg gecharmeerd van de toen opererende Paracelsus en schreef letterlijk over hem: ‘Magus monstrososus, superstitiosus, impius et in deum blasphemus, mendacissimus, infensus impostor, ebriosus, erro, mostrum horrendum’. Woorden naar mijn hart en zo blijven wij dat doen.

 

Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij

Schrijf je in en ontvang het Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij (NTtdK).

Word lid east
Kwakzalverij