De plaats van alternatieve geneeswijzen in de verpleegkundige opleiding

Actieblad januari 2002, jaargang 113 nr.1.
Door: R.J. de Haan | Geplaatst: 5 maa 2002 | Laatste Wijziging: 16 aug 2016
De laatste tijd lijkt de verpleegkundige beroepsgroep een groeiende belangstelling te hebben voor alternatieve geneeswijzen. De interesse gaat daarbij vooral uit naar Therapeutic Touch (TT), een vorm van complementaire verpleegkunde die als een moderne variant van het 'strijken' kan worden opgevat.

Sinds 1993 hebben ongeveer 2000 verpleegkundigen een cursus TT gevolgd aan het Van Praag Instituut. Hoewel dit aantal in absolute termen indrukwekkend is, dient zij wel geplaatst te worden in het perspectief van de 124.000 verpleegkundigen die in de gezondheidszorg werk

Meer zorgelijk is het feit dat verpleegkundige instanties en onderwijsinstituten de verpleegkundige toepassing van alternatieve geneeswijzen legitimeren. Zo is de verpleegkundige diagnose 'verstoord energieveld' en de daaruit voortvloeiende interventie van TT opgenomen in internationaal erkende verpleegkundige classificatiesystemen. Van de 19 Nederlandse hogescholen die het HBO onderwijs voor verpleegkundigen (HBO-V) verzorgen heeft één hogeschool een module complementaire verpleegkunde in haar curriculum opgenomen. Ook bestaat er een landelijke verpleegkundige werkgroep Complementaire Zorg, waarbij een andere hogeschool is betrokken. Een opvallend detail is dat het correspondentieadres van deze werkgroep identiek is aan dat van het Landelijk Centrum Verpleging & Verzorging (LCVV).

De interesse van de verpleegkundige discipline voor alternatieve geneeswijzen kan door verschillende (interacterende) onderwijs- en beroepsgerelateerde factoren worden verklaard. In vergelijking tot de oude inservice opleiding (MBO werkleer route) staat in het huidige HBOV curriculum het medisch model minder centraal, maar wordt juist de verpleegkundige eigenheid benadrukt. Dit uit zich onder andere door scholing in holistisch getinte verpleegkundige zorgtheorieën en modellen, en accentuering van de bijzondere regiefunctie van de verpleegkundigen. Deze ontwikkeling is te begrijpen in de context van de verpleegkundige beroepsontwikkeling vanaf de jaren 70. Een kenmerkende ontwikkeling was dat verpleegkundigen in toenemende mate onvrede hadden met hun beroepsinvulling conform het medische model.

Verpleegkundigen ervoeren dat hun taak meer zou moeten omvatten dan louter de activiteiten in het verlengde van de medische arm. Zo ontstond de opvatting dat de verpleegkundige verantwoordelijk was voor de zorg voor heel de persoon. Het gaat dan niet alleen om het lichamelijke, maar ook om het sociale, emotionele en spirituele welzijn van de unieke mens. Geleidelijk werden in de verpleging de contouren zichtbaar van een holistische mensbeschouwing. In dezelfde context kan de opkomst en academische invulling van de verplegingswetenschap in Nederland worden geplaatst. Ook op universitair niveau zien we holistische theorievormingen terug (die dus het HBO-V curriculum beïnvloeden) met een voorkeur voor de kwalitatieve onderzoeksmethodologie.

In die zin bevindt de evidence-based beweging zich ten opzichte van de verpleegkunde in een ongunstige positie. Allereerst komt deze beweging voort uit de medische wetenschap, een wetenschap waar de verpleging juist afstand van wil nemen. Bovendien staat de kwantitatieve onderzoeksbenadering, waarin groepen patiënten worden onderzocht, nogal ver af van het verpleegkundig perspectief van de individuele patiënt. Daarnaast heeft het ontbreken van een duidelijke kennishiërarchie in de verpleging een remmende werking op een kritische benadering van claims uit de alternatieve hoek.

Teveel leidinggevende verpleegkundigen zijn 'managers' geworden met als gevolg dat jonge verpleegkundigen te vaak klinisch ervaren kennismodellen ontberen die hen dwingen tot een kritische reflectie op het eigen handelen.

Een pasklaar antwoord op deze zorgwekkende ontwikkelingen in de verpleging laat zich niet makkelijk formuleren. In ieder geval dient het HBO onderwijs grondig te worden herzien. In het curriculum zal (weer) meer aandacht geschonken moeten worden aan medische scholing.

Het onderwijsaanbod moet zoveel als mogelijk evidence-based zijn, waarbij op het belang wordt gewezen van bewezen effectieve en doelmatige interventies en het opstellen van wetenschappelijk onderbouwde klinische richtlijnen. Het huidige (verouderde) docentenkorps dient, meer nog dan nu, bijgeschoold te worden in actuele klinische inzichten. Daarnaast is het gewenst dat de verplegingswetenschap de theorievorming minder centraal stelt, maar haar aandacht richt op het doen van toegepast verpleegkundig onderzoek met als doel het oplossen van praktische klinische problemen. Dit onderzoek dient gebruik te maken van de kwantitatieve onderzoeksmethodologie.

Tot slot hebben ziekenhuisorganisaties een taak bij het herstel van de kennishiërarchie in de verpleging door zich krachtig in te zetten voor het behoud van klinisch ervaren verpleegkundigen. Dit betekent dat een carrière-aan-bed beloond moet gaan worden.

Lees ook