Encyclopedie: Freud, Sigmund (1856-1939)

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen
Oostenrijks neuropatholoog, grondlegger van de *psychoanalyse.
Door: Van de Webredactie | Geplaatst: 30 apr 2009 | Laatste Wijziging: 16 aug 2016

Al van jongs af aan was Freud ervan overtuigd dat hij een beroemd wetenschapper zou worden, en direct na zijn studie stond zijn leven dan ook in het teken van de speurtocht naar die ene ontdekking die hem beroemd zou maken.

Hij wilde graag neurologische verklaringen vinden van psychologische processen en hij schreef gezaghebbende boeken over afasie (1891) en verlamming bij kinderen (1891, 1893 en 1897). Hij was vele jaren hoofd van de neurologische afdeling van het Kassowitz Kinderziekenhuis en daar zag hij vaak patiënten die volgens hem slechts schijnbaar neurologische afwijkingen hadden. Dit bracht hem op de gedachte dat psychologische oorzaken ook neurologische effecten konden hebben.

Zijn eerste, beruchte ontdekking was de cocaïne, waarover hij halverwege de jaren '80 gloedvolle artikelen schreef. Spoedig werd echter duidelijk dat deze stof toch wel enige nadelen heeft. Zijn vriend Ernst von Fleischl-Markov, die op Freuds aandringen cocaïne was gaan gebruiken, ging er uiteindelijk aan ten gronde. Typerend voor de roekeloze, ambitieuze Freud is dat hij zijn schuld in deze altijd heeft verdonkeremaand.

Freuds volgende 'ontdekking' was het werk van de Franse neuroanatoom Jean-Martin *Charcot. Freud zocht deze beroemdheid op en was diep onder de indruk van diens 'ontdekking' dat hysterie veroorzaakt werd doordat gedachten zich in het brein konden nestelen, los van iedere bewuste controle, en zich dan bij tijd en wijle manifesteerden in de vorm van hysterische aanvallen (*hysterie).

Teruggekeerd hield hij (in oktober 1886) een lezing over 'Hysterie bij mannen' voor het Weense genootschap van artsen. De reacties van de luisteraars vielen hem bitter tegen – hetgeen hem er overigens alleen maar van overtuigde dat hij een revolutionaire ontdekking had verkondigd. Charcots opvattingen zouden vrijwel onmiddellijk na zijn dood (in 1893) roemloos ten onder gaan, maar zijn leerling Freud zou ze tot hoeksteen maken van zijn eigen theoretische bouwwerk.

Freud ging nu nauw samenwerken met zijn vriend Josef *Breuer die beweerde opmerkelijke successen te hebben geboekt met zijn 'cathartische methode'. Volgens Breuer kon men neurosen genezen door de patiënt onder *hypnose te brengen en hem dan uit te horen over de achterliggende oorzaak. Was deze eenmaal boven water, dan verdwenen ook de symptomen op slag. Deze therapie was pure fictie, gebaseerd op de zogenaamde genezing van Anna O. (*Pappenheim), maar Freud was alweer onder de indruk. De samenwerking resulteerde in de gezamenlijke Studien über Hysterie (1895).

Freud had echter grote moeite met de verplichte hypnose. Hij was een slecht hypnotiseur. Ook een bezoek aan de beroemde hypnosespecialist (en tegenstander van Charcot!) Hippolyte Bernheim, het boegbeeld van de School van *Nancy, bracht geen uitkomst. Wat hij daar wél opstak was dat gehypnotiseerden die beweerden dat ze zich van de periode onder hypnose niets konden herinneren, gedwongen konden worden om tóch te vertellen wat ze gedaan hadden door middel van dwingende vragen en druk op het voorhoofd. Hij schakelde over op deze methode, gecombineerd met zaken als vrije associatie. Het resultaat was de psychoanalyse.

Tegen de tijd dat de Studien verschenen had Freud zich gestort op de modeziekte *neurasthenie, en hij was ervan overtuigd geraakt dat deze kwaal en andere neurosen slechts één enkele oorzaak hadden: seksuele frustratie. Als hij zijn cliënten maar lang genoeg uithoorde en onder druk zette, kwamen hun verhalen uiteindelijk altijd daarop uit. Vaak ook vertelde hij ze botweg wat volgens hem de (seksuele) oorzaak was van hun klachten. Meestal kwam die erop neer dat ze op zeer jonge leeftijd seksueel misbruikt waren door familieleden, of dat ze verboden erotische verlangens koesterden. Patiënten die dat ontkenden, gaven alleen maar te kennen dat ze nog onvoldoende ondervraagd waren. Freud, met andere woorden, was volledig in bezit genomen door zijn theorie (en zijn verlangen naar een alomvattende ontdekking) en was niet meer in staat afstand te nemen van zijn persoonlijke obsessies.

Therapeutisch succes bleef echter uit, en Freud verzonk in een diepe persoonlijke crisis. Zijn enige vriend in die tijd was de excentrieke Berlijnse arts Wilhelm *Fliess. Uiteindelijk, in 1897, verwierp Freud zijn 'verleidingstheorie'. Nu beweerde hij dat zijn cliënten die erotische ervaringen (die hij ze in de mond had gelegd) zélf gefantaseerd hadden, en dat hun klachten veroorzaakt werden door dergelijke fantasieën. Van groot belang hierbij was zijn 'zelfanalyse'. Freud had ooit bij zichzelf de symptomen van seksueel misbruik geconstateerd (hij gaf hierbij zijn vader de schuld), maar na een (overigens in nevelen gehuld en waarschijnlijk later zwaar aangedikt) zelfonderzoek was hij erachter gekomen dat zijn vader onschuldig was. Hij had dat misbruik gefantaseerd, omdat hij in die fase van zijn leven zijn vader haatte, omdat ze beiden van dezelfde vrouw hielden, namelijk zijn moeder. Dit was de ontdekking van het fameuze oedipuscomplex: het verboden verlangen van de zoon om zijn vader te vermoorden en met zijn moeder te trouwen.

Deze 'ontdekking' van de rol van de fantasie opende geheel nieuwe theoretische wegen. Mede dankzij het werk van de bioloog Ernst *Haeckel bereikten zijn inzichten vervolgens in betrekkelijk korte tijd hun definitieve vorm. Ze vertoonden ook een sterk evolutionaire inslag. De seksuele ontwikkeling van de mens, met zijn orale, anale en genitale fase, en onvermijdelijke conflicten als het oedipuscomplex, lag van meet af aan vast. Latere toevoegingen aan het theoretisch bouwsel, zoals het duistere Id, het morele Super-Ego en de Doodsdrift, zijn niet meer dan aanvullingen geweest.

Freud paste zijn theorie ook toe op de sociologie. In Totem und Tabu (1913) schetst hij de totem en vervolgens de goden als plaatsvervangers van de vermoorde vader, maatschappelijke regels en instellingen als maatregelen om incest, dat wil zeggen het seksuele verlangen naar de moeder, te voorkomen, en ontevredenheid en rebellie als uitingen van onderdrukte oedipale gevoelens. Een gedeelte van de inspiratie voor deze ideeën kwam uit *Frazers The golden bough (1890-1915), waarin twee universele taboes beschreven werden, namelijk incest en het doden van het totemdier.

Freud kwam in de voor zijn latere ontwikkeling cruciale periode, tussen de Studien über Hysterie (1895) en de Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie (1905), meer en meer alleen te staan. Uiteindelijk vergaarde hij een clubje van volgelingen die zijn ideeën uit moesten dragen. Zijn bekendste leerling is waarschijnlijk Carl Gustav *Jung geweest, die uiteindelijk (zoals zoveel leerlingen van Freud) verstoten werd en zijn eigen weg ging.

Omstreeks 1910 begon de psychoanalyse aan een onstuitbare opmars door de westerse wereld, en in de periode tussen de beide wereldoorlogen domineerde zij de theoretische psychologie. Daarna was er sprake van toenemende kritiek, aanvankelijk vooral op de effectiviteit van de psychoanalyse, met als bekendste criticaster de psycholoog Hans Eysenck. In de jaren '70 en '80 van de 20ste eeuw was er vooral sprake van methodologische kritiek, en deze leidde uiteindelijk tot een hele serie studies naar het leven en werk van Freud. Met name deze laatste hebben Freuds reputatie zware schade toegebracht.

Freud en het paranormale

Freuds houding ten opzichte van paranormale verschijnselen werd in de loop der jaren langzaam maar zeker positiever. Aanvankelijk moest hij er niets van hebben. In zijn Psychopathologie des Alltagslebens (1904) wees hij dergelijke verschijnselen resoluut van de hand (al hield hij het bestaan van *telepathie, het lezen van andermans 'gedachtegolven', nog wel voor mogelijk). Waarschijnlijk wilde hij voor alles voorkomen dat zijn nieuwe leer in vergetelheid zou raken zodra er sprake zou zijn van doorbraken in het parapsychologische onderzoek. Jung beweerde later dat hij vreesde voor 'een zwarte golf occultisme'.

Jung, maar ook Freuds discipelen Sándor Ferenczi (1873-1933) en Wilhelm *Stekel waren zeer geïnteresseerd in deze materie. Stekel, die in 1912 met zijn leermeester brak, publiceerde bijvoorbeeld in 1920 een werk over telepathische dromen, waarbij hij dit vermeende fenomeen verklaarde met behulp van de *N-stralen.

Later in zijn leven voelde Freud zich zekerder van zijn plaats in de geschiedenis en durfde hij het paranormale enige speelruimte te geven. In een lezing in 1921 erkende hij dat de studie van paranormale verschijnselen niet langer mocht worden genegeerd. Hij benadrukte echter het grote verschil in benadering tussen de parapsycholoog (een 'gelovige') en de psychoanalyticus (volgens Freud een kind van de exacte wetenschappen).

Weer een jaar later ging hij uitgebreid in op Stekels bewering dat de telepathische droom onverenigbaar zou zijn met de freudiaanse droomduiding (*dromen). Hij ontkende dat, maar was het wél met Stekel eens dat de slaap een gunstige periode is om langs telepathische weg indrukken op te doen.

In 1925 zou Freud samen met Ferenczi en zijn dochter Anna enige experimenten uitvoeren op het gebied van gedachteoverdracht. Het lijkt erop dat Freud in die tijd werkelijk gegrepen was door de parapsychologie, maar deze interesse nam later weer af.

De laatste keer dat Freud op het paranormale terugkwam was in een essay uit 1933, waarin hij nogmaals zijn geloof in het bestaan van telepathie verkondigde. Het zou misschien een overblijfsel zijn van een zintuig daterend uit de tijd dat de mens nog niet kon spreken. De psychoanalyse, zo schreef hij, kon mogelijk een fysische verklaring voor dit fenomeen bieden.

Literatuur
Webb, J., The occult establishment. La Salle, 1976.
Webster, R., Why Freud was wrong. New York, 1995.

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen, door Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys (vierde herziene druk, De Geus, 2002).

Naschrift augustus 2009

Uiteraard heeft Nederlandse Wikipedia een artikel over Freud. De Engelse Wikipedia beperkt bespreking van kritiek op Freud vrijwel tot een verwijzing naar een krantenartikel 'Freud Is Widely Taught at Universities, Except in the Psychology Department' in de New York Times van 25 november 2007. Op de Skepsis-site staan enkele artikelen over Freud en psychoanalyse:

Wetenschappelijke pornografie: De obsessies der psychoanalyse, door Marcel Hulspas, die onder meer citeert:
Han Israëls, De Weense Kwakzalver. Honderd jaar Freud en de freudianen. Bert Bakker, 1999.
Sprookjes van Freud, door Hilda Schram en Malcolm Macmillan.

 

 

 

 

Lees ook