Door: Minou op den Velde | Geplaatst: 06 november 2026

Cees Renckens: ‘Kwakzalvers zijn bang voor ons’

Gynaecoloog Cees Renckens was 23 jaar voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Als erevoorzitter blikt hij terug op de hoogtepunten en teleurstellingen in zijn strijd tegen alternatieve geneeswijzen. ‘Ik dacht, ze weten waar ik woon, als me maar niets ernstigs overkomt.’

Cees Renckens: ‘Kwakzalvers zijn bang voor ons’

Foto: Cees Renckens © Vivian Oei

‘Ik zie op tegen dit interview, omdat mijn geheugen de laatste tijd niet meer zo goed is,’ meldt Cees Renckens (80) met een bijna verlegen oogopslag, als we elkaar begin februari treffen in zijn Haarlemse benedenwoning, een serene oase van visgraatparket, witte muren en moderne designmeubelen. De ontboezeming is niet direct wat je verwacht van de man die, in zijn 23 jaar als voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK), zichtbaar genoot van het spitsvondig terechtwijzen van alternatieve genezers. Het leverde hem onder zijn tegenstanders bijnamen op die hij nog steeds koestert, zoals ‘Ayatollah Renckens’ en ‘Inquisiteur’.

In de 32 jaar dat hij werkzaam was als gynaecoloog in het Hoornse West-Fries Gasthuis, later omgedoopt tot het Dijklander Ziekenhuis, schreef Renckens drie veelal lijvige naslagwerken waarin hij honderden alternatieve behandelaars, middeltjes en geneeswijzen fileerde – Kwakzalvers op Kaligoog, Dwaalwegen in de geneeskunde en Met het vizier op Kackadoris. In de avonduren tikte hij vlammende betogen voor het verenigingsblad. Maar nu rusten er naast hem op het marmeren tafelblad vier uitgeprinte vellen papier waarop hij allerlei mogelijke gesprekthema’s heeft verzameld. De belangrijkste zinnen zijn met een gele stift gemarkeerd, als geheugensteuntje.

Een jaar geleden werd Renckens gediagnosticeerd met beginnende Parkinson. ‘Maar ik ben niet neerslachtig door die diagnose,’ meldt hij, terwijl hij behoedzaam cappuccino serveert en voorstelt om elkaar te tutoyeren. ‘Ik zit alleen te tobben over mijn archief en mijn bijbehorende boekenverzameling, met name de boeken over kwakzalverij. Ik ben bang dat het straks allemaal in de kliko wordt gegooid.’ Sinds zijn pensionering in 2011 is Renckens als erevoorzitter nog nauw betrokken bij de vereniging. ‘Maar ik ben opgehouden met lezingen geven, want als ik een zijspoor insla kom ik niet meer terug. Ik heb weinig lichamelijke klachten, ik tennis nog twee keer per week. Als ik mijn neuroloog vraag wat ik kan doen, zegt zij: bewegen, bewegen, bewegen.’ Droog: ‘Maar ik tennis gewoon omdat ik wil winnen.’

Wat zie je als je grootste succes?

‘De rechtszaak die we in 2006 hebben gevoerd tegen de alternatieve artsen die beweerden dat ze actrice Sylvia Millecam konden genezen van kanker. Een van onze latere bestuursleden werkte bij de inspectie, die heeft dat allemaal uitgedokterd en in een rapport geschreven. De inspectie heeft die artsen aangeklaagd. De een is levenslang geschorst, de anderen zijn een heel en een half jaar geschorst. Jomanda werd vrijgesproken, omdat er te veel tijdsverloop was geweest tussen het delict en de uitspraak.’

De familie van Millecam was niet blij met de actie vanuit de vereniging.

‘In de media hebben ze gezegd dat het voor hen niet hoefde. Maar het ging ons om de kwaliteit van de zorgverlening.’

Wat was je grootste teleurstelling?

‘Onze nederlaag tegen Houtsmuller in 2000. Houtsmuller was een Rotterdamse internist die was gespecialiseerd in suikerziekte. Hij beweerde dat hij door zijn arts was opgegeven vanwege uitgezaaide huidkanker, en ging zich verdiepen in alternatieve geneeswijzen. Hij bedacht het Houtsmullerdieet tegen kanker en ging spreekuur houden. Voor wat hij voorschreef was geen enkel bewijs, hij had zelfs helemaal geen kanker. Het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis wilde niks met hem te maken hebben. In een interview met De Telegraaf noemde ik hem een kwakzalver en een leugenaar. Toen spande hij een kort geding aan wegens smaad. Eerst wees de rechter alle eisen van Houtsmuller af en hij legde zijn praktijk neer. Dat was in 1999. Wij gingen in hoger beroep en hij ook.’

Renckens pakt zijn aantekeningen erbij en leest voor: ‘Het arrest van 19 oktober 2000 stelde dat het grote publiek de term “kwakzalver” opvat als een krachtig scheldwoord als het tegen een vooraanstaand medicus wordt geuit. Omdat de gewone man een kwakzalver meteen associeert met een oplichter.’

Dat was toch precies je bedoeling?

‘Natuurlijk. Onze jurist zei, doe maar voorzichtig, laat het maar. Maar ja, je gaat niet je mond houden als je denkt dat je gelijk hebt.’

Hoe ontstond je activisme? Was je een kind dat stevig in discussie ging met je ouders en je docenten?

‘Helemaal niet. Ik ben opgegroeid in Hoorn als oudste van zeven kinderen in een streng katholiek gezin. Er was een natuurlijk gezag van mijn vader. We waren heel braaf en gehoorzaam. We werden allemaal ingezet om het huishouden draaiende te houden. Mijn taken waren schoenen poetsen en kolenscheppen.’

Je vader was middenstander in Hoorn, begreep ik.

‘Op zijn twintigste nam hij een zaak in manufacturen over van zijn vader, die zette hij later om in een zaak met bedden en dekens. Toen heeft hij een tijd krap gezeten – of zwaar gezeten, zoals hij zou zeggen. Ik voelde de spanning. Altijd was de vraag: zijn er nog klanten geweest? In de zomervakantie bedacht hij klusjes voor mij – bedden sjouwen naar klanten of matrassen capitonneren. Achter het huis was een werkplaats. In die tijd werden matrassen telkens bijgevuld, dat was geen esthetisch karwei. De oude kapok moest je mengen met de nieuwe kapok. Er kwam veel stof uit die oude matrassen, er zaten vaak pisvlekken in.’

Met wat voor wereldbeeld werd je opgevoed?

‘De sfeer was: het enige ware geloof is het roomskatholieke geloof. Twee heerooms werkten als priester, een tante was non. Die stonden hoog in aanzien. Als je goed kon leren werd je naar de priesteropleiding gestuurd, dan was je de bink. Gelukkig drongen ze niet aan. Ik ben wel misdienaar geweest en later acoliet. Als ik lees dat iemand als Rudy Kousbroek al op zijn twaalfde van zijn geloof afviel denk ik: Wat ben ik voor een sul dat ik pas op mijn achttiende zag dat het katholicisme flauwekul was?’

Hoe werd die boodschap thuis ontvangen?

‘Kaartvrienden van mijn vader riepen: dit wordt de dood van je vader. Mijn vader reageerde tolerant. Hij zei: “Je bent een intellectueel, ik kan niet met jou in discussie, dat red ik niet.”’

Wat waren thuis belangrijke thema’s aan tafel?

‘Het ging thuis nooit over politiek. Voetballen en kaarten, dat was het wel. De gesprekken gingen vooral over de winkel. Met mijn moeder sprak ik weleens over boeken. Zij was onderwijzeres en hield net als ik erg van lezen. Maar ze overleed al jong aan borstkanker, toen ik vijftien was. Dat was een ramp. Mijn vader bleef alleen achter met zeven kinderen en een klein inkomen.’

Voor jou moet het ook verdrietig zijn geweest.

‘Ik vond het verschrikkelijk. Het was allemaal geheimzinnig. Kanker, dat was de K. Op een gegeven moment was er paniek in de tent. Mama moest naar het ziekenhuis en haar borst werd afgezet. Het was al ver uitgezaaid. Ik hoorde mijn vader telefoneren met familie, misschien was het wel onder controle? Maar op de dag dat ze thuiskwam uit het ziekenhuis werd ze plots kortademig. Ze heeft een paar uur liggen huilen, kreunen, moeizaam ademhalen. De huisdokter kwam binnen en zei: “Oh die gaat dood.” Diezelfde avond is ze overleden. Voor het eerst zag ik mijn vader huilen. O, nu begin ik ook.’ Renckens schiet vol. ‘Hé, maar dit is helemaal niet de bedoeling!’

Renckens neemt een slok koffie. ‘Idioot, dat ik moet huilen. Maar goed, ik zag hem huilen. Dat waren we niet gewend van zo’n stoere vader.’

In 1963 vertrok hij, zeventien jaar oud, naar Groningen voor een studie tandheelkunde. ‘Ik werd lid van de katholieke studentenvereniging, die heel traditioneel was in die tijd. Ik heb zelfs met een paraplu door de stad gelopen, als dandyachtig figuur. Na een paar jaar werd ik heropgevoed door de VPRO en Vrij Nederland. Ik werd nieuw links, maar ik was niet zo activistisch. De enige keer in mijn leven dat ik heb meegelopen in een demonstratie was in 1981, tegen de kruisraketten.’

In het tweede studiejaar stapte hij over op geneeskunde. Droog: ‘Niet dat ik nou zo onder de indruk was van de menselijke anatomie, of dat ik dacht: Dit is het beroep van mijn leven. Dat kwam pas toen ik gynaecoloog werd. Het kon vreselijk tekeergaan op de verloskamer, dan had je een uitgezakte navelstreng of een vrouw met kraamstuipen. Allerlei akelige en gevaarlijke gevallen die kantje boord waren. Soms, als ik ’s nachts in mijn bed lig, denk ik daar weleens aan terug. Die stress ben ik gelukkig kwijt.’

Wanneer begon je je te storen aan alternatieve geneeswijzen?

‘Dat begon in 1975, toen ik terugkwam uit Afrika, waar ik twee jaar had gewerkt als tropenarts. Zambianen gingen meestal eerst naar de toverdoctor, voordat ze in het ziekenhuis terechtkwamen. Die witch doctors, daar had ik geen enkele bewondering voor, laat staan dat ik met ze wilde samenwerken. Ik had hun magische denken net verworpen of er kwam in de westelijke wereld een nieuw soort charlatanerie op, de alternatieve geneeskunde. Dat waren soms zelfs artsen die zich afkeerden van het ware geloof en de vreemdste dingen deden: naaldjes in mensen steken, omdat dat vroeger in China werd gedaan. En van kruiden geneesmiddelen maken, die net zo lang werden verdund dat ze onmogelijk nog werkzaam konden zijn. De homeopathie stoorde mij enorm. Als je deel uitmaakt van de medische beroepsgroep moet je je aan de regels van het vak houden. Je kunt dat niet zomaar loslaten en zeggen: Ik heb een andere waarheid. Dat is verraad, ketterij.’

Je wilde dat niet eerst onderzoeken, voordat je het als onzin afdeed?

‘Dode kippen offeren, voorouders aanroepen en krasjes in de huid maken? Nee, dat vind ik primitief. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor de werkzaamheid van alternatieve geneeswijzen.’

Ontstonden er in de spreekkamer met patiënten weleens discussies over alternatieve geneeswijzen?

‘Persoonlijke discussies probeerde ik te vermijden, ook met vrienden. Mijn patiënten wisten ook niet altijd wat ik deed voor de vereniging. Ik hield dat gescheiden. Ik schreef het liever op in goed geformuleerde verhalen.’

Proefde je belangstelling onder je collega-specialisten?

‘Nee, er zijn weinig specialisten die alternatieve geneeswijzen beoefenen, het zijn bijna altijd basisartsen. In het ziekenhuis heerst onderlinge controle. Mensen worden uitgelachen als ze het doen. We hadden een reumatoloog, een softe jongen, die geloofde in elektro-acupunctuur – de huidweerstand meten met elektrische stroompjes, als diagnostische methode. Met hem had ik het een beetje aan de stok, maar hij bedoelde het goed. Reumatologen hadden, zeker in die tijd, heel weinig te bieden aan patiënten.’

In 1980 werd Renckens lid van de VtdK. ‘Dat kwam door dokter Meinsma, die destijds bestuurslid was. Hij vond dat de vereniging zich niet meer moest richten op de ouderwetse kruidendokters, krakers en magnetiseurs, maar op de alternatieve geneeskunde, die snel populair werd. Dat beviel mij, want ik vond het kwakzalverij.

In die tijd lag de vereniging op zijn gat. Het geld was op, de politiek was ons slecht gezind. Het ledental was geslonken tot 270 leden. Toen zijn we met een aantal wijze mannen bij elkaar gekropen.’

Alleen maar mannen?

‘Er heeft een keer een vrouw bij gezeten, een jurist, die was er om koffie in te schenken.’

Nee, doe dit nou niet.

‘Zij was meester in de rechten geloof ik, maar de vrouwen waren in de vereniging ver in de minderheid.’

In 1988 werd je voorzitter. Wat wilde je bereiken?

‘Dat aan artsen verboden zou worden om alternatieve geneeskunde te beoefenen. Gewoon een beroepsverbod.’

Het verbod kwam er niet. Rond 1993 waren alternatieve geneeswijzen populairder dan ooit.

‘In woord en geschrift heb ik me daartegen verzet. Het hoogtepunt was dat ik werd uitgenodigd bij Keek op de week van Van Kooten & Bie. Zij brachten wekelijks een item met Berendien uut Wisp, een persiflage op Klazien uit Zalk. Dat was een kruidenvrouwtje dat bij de NCRV een programma had en met een sterk Overijssels accent reclame maakte voor natuurgeneeswijzen. De vereniging had in april 1992 een klacht ingediend bij het Commissariaat voor de Media, wegens ongeoorloofde reclame voor onder andere homeopathie door die Klazien. Ik vond het heel eervol dat de VPRO mij uitnodigde. Dus daar ging ik, met de trein naar Bussum, naar huize De Bie. De Bie zei: “We gaan straks naar de boerderij van Berendien, daar stel ik u vijf vragen. U moet vooral geen grappen maken, laat dat maar aan ons over.” Achteraf vond ik het geen briljant optreden, ik was doodzenuwachtig.’

Je mocht wel aan twee miljoen kijkers je standpunt toelichten.

Glunderend: ‘Aan het einde van het programma zei De Bie: willen alle VPRO-leden die zich nog vergrijpen aan kwakzalverij, hun lidmaatschap van de VPRO opzeggen. Een paar weken later bleek dat er bij de VPRO 23 opzeggingen waren gekomen en 8000 nieuwe leden! Al mijn vijanden klaagden: op tv bij Van Kooten en De Bie, dat willen wij ook wel, maar ze halen die idioot Renckens van stal!’

Je had het net over vijanden. Ben je ooit thuis of op straat benaderd door mensen die het niet met je eens waren?

‘Vijanden klinkt zo militant, laat ik ze tegenstanders noemen. Af en toe werd ik op straat aangesproken, dat vond ik geen probleem. Maar een keer met oudejaarsnacht kwam een groep dronken jongeren aan mijn voordeur rammelen en schreeuwen: kwakzalver! Dat vond ik vervelend. In de loop der jaren heb ik een stuk of tien brieven thuis ontvangen. Die waren meestal anoniem en slecht geschreven. In 1991 werd er een bomaanslag gepleegd door Actiegroep RaRa bij het huis van Aad Kosto, die toen staatssecretaris van Justitie was. Iemand schreef: “Renckens is de volgende.” Ik herinner me ook een vrouw die schreef: mijn man heeft een hersentumor gehad, hij is aan het Moermandieet gegaan en het gaat nu prima met hem. En dan schrijft u in de krant dat het niet helpt! Ik kan u wel vernielen!’

Het Moermandieet zat vol groente en peulvruchten – precies de gezonde voeding waar artsen graag op hameren bij patiënten.

‘Moerman wordt vaak aangehaald als vroege ontdekker van het voordeel van gezond eten. “Hij zei het al.” Maar hij maakte geneesmiddelen op basis van duivenvoer.’

In 2000 begon orthomanueel therapeut Maria Sickesz een smaadzaak tegen de vereniging.

‘Sickesz was ervan overtuigd dat ze rugwervels kon rechtzetten. Ze voerde een grote, drukke praktijk, maar ze was van god los. Ze beweerde dat ze schizofrenie kon behandelen, maar ook suikerziekte en kanker. Nadat ik haar had opgenomen in de Top 20 van de grootste kwakzalvers van de 20ste eeuw begon ze een rechtszaak.’

‘Sickesz heeft ons een jaar of tien beziggehouden. Het kostte veel geld aan advocatenkosten. Eén keer heeft zij gelijk gekregen, in hoger beroep. Als ik haar nog één keer zou betitelen als kwakzalver, moest ik een dwangsom van tienduizend euro betalen. Dat bedrag hadden wij niet meer in kas. Ik dacht: wat nu? Het probleem met Sickesz en orthomanuele geneeskunde was inmiddels wel bekend in Nederland. Toen heb ik voorgesteld aan het bestuur om haar een vredesvoorstel te doen. Als u stopt met procederen, dan stoppen wij met het aanvallen van uw behandeling. Achteraf tamelijk laf van mij, maar ik was bang dat we financieel ten onder zouden gaan. Gelukkig ben ik door mijn toenmalige bestuur weer met beide benen op de grond gezet. Zij zeiden: Ga weg met je olijftak, we gaan door met de strijd.’

Renckens glimlacht. ‘Sickesz heeft die dwangsom nooit geïnd, en toen ze werd vrijgesproken van kwakzalverij, hadden wij er 150 nieuwe leden bij.’

In 2007 werd er een rechtszaak aangespannen door VSM, een grote fabrikant van homeopathische geneesmiddelen.

‘Dat was heel spannend. Ik had in een van mijn stukken iets lelijks over homeopaten gezegd, die toen nog hoog in het zadel zaten. Opeens kreeg ik een deurwaarder met een dagvaarding aan mijn deur, ik schrok me dood. Nu heb ik de vereniging ten gronde gericht, dit gaan we natuurlijk verliezen. In eerste instantie werden wij volledig in het gelijk gesteld. We mochten de homeopathie bekritiseren. Toen zijn zij in hoger beroep gegaan en hebben een beetje gelijk gekregen. Maar die dwangsom hoefden we niet te betalen.’

Heb je je ooit persoonlijk bedreigd gevoeld door de alternatieve genezers die je bekritiseerde?

‘Ik ben nooit bang geweest, behalve tijdens mijn onderzoek naar Roland Pluut, in 2014, toen kreeg ik het benauwd. Pluut was een zakenman, die zeven fondsen oprichtte die in naam en presentatie leken op bestaande fondsen, maar die geld ophaalden voor onderzoek naar alternatieve geneeswijzen. In de praktijk bleken ze maar weinig van het opgehaalde geld daadwerkelijk te besteden aan onderzoek. Pluut was begonnen als een eenvoudige Limburger, die naar het westen des lands ging om een pr-bureau op te richten. Een paar jaar later woonde hij in een villa van ruim drie miljoen in Wassenaar. Hij zat dicht tegen de criminaliteit aan, er hingen Oost-Europese typen om hem heen en hij reed in dure auto’s met geblindeerde ramen. Ik voelde dreiging, want er zat ook een oud-politieman in zijn clubje. Ik dacht: Ze weten waar ik woon, als me maar niets ernstigs overkomt.’

Vonden de reguliere fondsen het fijn dat je in die casus dook?

‘Ja, maar onder hun donateurs zitten ook mensen die wel geloven in alternatieve geneeswijzen, daarom wilden zij zich in het openbaar niet al te hard uitspreken tegen die kwakfondsen. Ik ben nog bij de medisch directeur van de Hartstichting op bezoek geweest, Manger Cats. Ik had geld nodig, want ik wilde een privédetective inhuren om te kijken wie er achter die stichtingen zaten en waar het opgehaalde geld was gebleven. Manger Cats zei: Ik sta volledig achter wat jullie doen, maar ik kan geen geld geven voor een privédetective, want die doen per definitie dingen die verboden zijn.’

Pluut klaagde jou aan wegens smaad.

‘Ze hebben die rechtszaak verloren op een vreselijke manier. We mochten ze een criminele instelling noemen. Ik ben er trots op dat hij een enorme duw heeft gehad.’

Denk je dat geld de belangrijkste motivatie is voor alternatieve genezers?

‘Het zal voorkomen hoor, dat mensen het alleen doen voor het geld. Er zijn kwakzalvers die veel verdienen, maar de meesten zijn kleine sappelaars. Het is ook de drang om jezelf te onderscheiden. Ik heb iets ontdekt, ik kan iets wat al die anderen niet kunnen.’

Ben je weleens bij alternatieve genezers thuis geweest, om meer inzicht te krijgen in hun motivatie?

‘Nee, ik spreek en praat liever over ze dan met ze. Ik ben niet echt geïnteresseerd in hun gedachtenwereld. Ik heb zo’n grote afkeer en minachting voor kwakzalvers dat dat een normale discussie moeilijk verdraagt.’

In je stukken voor de vereniging ging je er vaak met gestrekt been in.

‘Ik trok grote schoenen aan, ik was niet bang om krachtige uitspraken te doen. Mijn liefde voor de waarheid en mijn liefde voor de geneeskunde kwamen daar samen.’

Op enig moment suggereerde het bestuur dat je mediatraining moest gaan volgen.

‘Ik kan me niet herinneren dat we dat gedaan hebben. Ik zeker niet.’ Klopt, je hebt het geweigerd.

‘Maar was het mij aangeraden? Dat zou kunnen, hoor.’

Heb je ooit een alternatieve genezer kunnen overtuigen?

‘Weinig. Je hoopt alleen dat ze misschien nog drie keer nadenken en dan overstappen naar het ware geloof. Een sterk voorbeeld is Jan Keppel Hesselink, een basisarts die een goed lopende acupunctuurpraktijk voerde. Een jaar of drie geleden schreef hij in een brief naar ons bestuur: “Ik heb me toch vergist in die acupunctuur. Ik hou ermee op want het is onwerkzaam.” Zijn bekentenis was een prachtig cadeau voor ons.’

Maakt dat pessimistisch, dat je na 46 jaar strijden weinig mensen meekrijgt?

‘Dat valt mee. Het aantal artsen dat aan acupunctuur doet is sterk teruggelopen. Het aantal huisartsen dat er flauwekul naast doet is maar 1,5 procent van de totale huisartsenpopulatie, en vaak doen ze dat alleen parttime. Dat was 25 jaar geleden een heel ander verhaal.’

Inmiddels zijn er steeds meer influencers die op sociale media eigen vitaminesupplementen aanbieden. Hoe kijk je naar die ontwikkeling?

‘Influencers volg ik niet.’

Beschouw je supplementen wel als kwakzalverij?

‘Zeker.’ Renckens denkt even na. ‘Het grootste risico van alternatieve geneeswijze ontstaat als er een één-op-éénrelatie is tussen een patiënt en een kwakzalver. Bij influencers die supplementen aanraden komt er geen fysieke behandeling aan te pas, heb ik de indruk.’

Influencers prijzen middeltjes aan en tussendoor laten ze vrolijk hun make-uproutine zien. Dat voelt ook dichtbij voor mensen.

‘Dat is ook zo. Maar wat ze verkopen staat onder invloed van de warenwet. Volgens mij is dat meer financiële oplichting dan dat het medisch gevaarlijk is. Ik heb nog geen gevallen gehoord van mensen bij ons komen klagen over influencers. Het staat niet hoog op mijn lijstje.’

Influencers bereiken soms met een post honderdduizenden volgers.

‘De volgende jaarvergadering gaat over desinformatie en gebedsgenezing, maar of je daar een leuk symposium over kan houden, dat zie ik nog niet voor me. Ik zou liever zien dat het dichter tegen de geneeskunde aan schuurt. Maar ik ben bijna 80, de jongere bestuursleden mogen het zeggen. Misschien zit ik ernaast?’

Heb je ooit gedacht: moeten we als vereniging in plaats van strijden tegen het symptoom, de ‘kwakzalvers’, eens kijken naar de oorzaak? Is er iets in onze maatschappij aan de hand dat de behoefte aan alternatieve geneeskunde aanwakkert? Steeds meer mensen kampen met slaapproblemen en burn-outs, en de industrie speelt daar met talloze middeltjes op in.

Verbaasd: ‘Ik zou niet weten hoe we dat zouden moeten doen. Als klein groepje een maatschappelijke tendens beïnvloeden lijkt me erg hoog gegrepen.’

Je zei ooit: ‘Kwakzalverij is onuitroeibaar.’ Ajax werkt nu samen met Vitakruid, las ik.

‘Idioot! Terwijl Ajax een groot medisch team heeft. We moeten de nominaties voor de Meester Kackadorisprijs voor dit jaar nog bedenken, maar wat mij betreft kunnen ze erop.’

Die prijs is bedoeld als plaagstootje voor mensen of instellingen die volgens de vereniging kwakzalverij bevorderen, in de hoop dat ze daarmee stoppen. Ben je zelf ooit terugkomen op eerdere overtuigingen?

Renckens valt stil. ‘Ik zit te denken… nee, het schiet me niet te binnen.’ Met een lach: ‘Tjee, ik begin op W.F. Hermans te lijken – “Ik heb altijd gelijk.” Ik heb wel van onze advocaat geleerd dat ik voorzichtig moet zijn met hoe ik formuleer. Zeg nou niet tegen iemand: “U bent een kwakzalver.” Maar zeg: “Wat u doet is niet van kwakzalverij te onderscheiden.” Juridisch sta je dan veel sterker.’

Ik begreep dat het bestuur na een suggestie van een verenigingslid heeft overwogen om de vereniging om te dopen tot de Society for Evidence-Based Medicine. Zou je dat…

Beslist: ‘Die naam mag nooit veranderd worden, anders ben ik weg. Af en toe komt die discussie op in het bestuur, want ergens tegen zijn, dat spreekt niet aan. Maar als je de aandacht van journalisten wil trekken, moet je een pakkende naam hebben. Mooier dan dat oud-Nederlandse begrip kwakzalverij kan ik niet bedenken.’

In 2006 werd je Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Veel alternatieve artsen hebben ook een koninklijke onderscheiding gekregen.

Renckens veert op. ‘Die onderscheiding is ernstig gedevalueerd. Bij de homeopaten en acupuncturisten zitten zelfs drie artsen die een nog hogere onderscheiding kregen dan ik! Er wordt hen helemaal niet kwalijk genomen dat ze rare dingen doen.’

Vond je het wel fijn om geridderd te worden?

‘Ik vond het ontzettend leuk. Ik twijfel alleen nog of het, als ik straks doodga, in de overlijdensadvertentie moet staan. Is het belangrijk genoeg? Ik weet het niet. Wat adviseer jij? Ik twijfel.’

Houdt de strijd tegen kwakzalverij je nog dagelijks bezig?

‘Dat kan je wel zeggen, ja. Ik probeer ermee te stoppen. Ik ben minder scherp, ik heb bijna geen inspiratie meer om stukken te schrijven. Als erevoorzitter heb ik geen taken, maar ik vergader mee.’

Kun je het niet loslaten?

‘Ik kan het wel, maar de bestuursleden laten mij nog niet los. Ze mailen toch regelmatig, wat vind je hiervan, wat vind je daarvan, hoe zullen we dat doen? Dat streelt mij.’

Hoe kijk je naar wat je nalaat?

‘Toch met enige trots en tevredenheid. Vergeleken met de rest van Europa worden kwakzalvers en alternatieve genezers, na Portugal, in Nederland het minst bezocht. Dat komt door onze vereniging. Wij zitten die kwakzalvers op de hielen, ze zijn bang voor ons.’

Minou op den Velde is freelance journalist, gespecialiseerd in interviews. Ze schrijft onder meer voor Vrij Nederland, Het Parool, Trouw, NRC en Universiteit Tilburg.

Minou op den Velde

Gerelateerde artikelen

artikelen - 08 oktober 2026

Op zaterdag 3 oktober 2026 vond het VtdK-symposium ‘Gebedsgenezing, spiritualiteit en gezondheid' plaats in Amsterdam. Bekijk video’s van het symposium hier.

artikelen - 22 juni 2026

Geschiedschrijving: Wim T. Schippers heeft in 2002 VtdK-voorzitter Cees Renckens geïnterviewd. Een fascinerend, ontregelend en hilarisch interview.

page - 20 februari 2026

Verwerving van inkomsten De Vereniging tegen de Kwakzalverij verkrijgt haar inkomsten uit:
• Contributie van leden (45,- euro per jaar, studenten 15,- euro per jaar)
• Donaties particulieren en leden
• Bijdragen van deelnemers aan haar jaarlijkse symposium (25,- euro per persoon voor leden, 100,- euro per persoon voor niet-leden) . Verkoop van eigen boeken . Legaten (incidenteel) Uitgaven Betaling van […]