De kwantitatieve ontwikkeling van de alternatieve geneeskunde in ons land sinds 1975

Actieblad januari 2002 jaargang 113, nr.1.
Door: C.N.M. Renckens | Geplaatst: 5 maa 2002 | Laatste Wijziging: 16 aug 2016
Er zal een korte schets gegeven worden van de opkomst van de alternatieve geneeskunde in Nederland, vanaf 1975 tot 2001. Cijfers worden gepresenteerd over de (beschamende) toename van het aantal artsen dat enige vorm van alternatieve geneeskunde beoefent. Ook de groei van de consumptie (sterke toename vanaf 1975 tot 1990 en sindsdien - anders dan veelal gedacht - geleidelijke afname) wordt geschetst. Aan het slot zal ik de resultaten geven van een enquête die ik tijdens het Groningse studentencongres van juni 2001, waar ik de slottoespraak verzorgde, kon houden onder een flink aantal medische studenten.

Een kwart eeuw alternatieve geneeskunde in Nederland
De opbloei van de als alternatieve geneeskunde vermomde kwakzalverij in ons land – maar evenzeer in de ons omringende landen – volgde op een periode, waarin de geneeskunde stormachtige en spectaculaire vooruitgang had geboekt. De Britse medisch journalist James Le Fanu somde in zijn aanbevelenswaardige 'Rise and Fall of Modern Medicine' (Abacus, 1999) een twaalftal van die door hem 'definitive moments' genoemde mijlpalen op. Ik geef ze u hier weer:

1941 Ontdekking van de penicilline
1949 Cortison beschikbaar als geneesmiddel
1950 Medische statistiek als krachtige bewijsmethode in de geneeskunde: de eerste Randomized Clinical Trail (RCT) (PAS/ streptomycine bij tuberculose) en het aangetoonde verband tussen roken en longkanker.
1952 Ontstaan van de Intensive care
1952 Chloorpromazine humaniseert de zorg voor psychotici
1955 Open hartchirurgie
1961 Heupprothese
1963 Niertransplantatie
1964 Preventie CVA's (bloeddrukverlagers)
1971 Genezing jeugdkanker (leukemie)
1978 IVF
1984 Ontdekking Helicobacter pylori als oorzaak maagzweer.

La Fanu noemde het paradoxaal dat er – ondanks de grote vooruitgang in de geneeskunde – een sterk opbloei van de alternatieve geneeskunde ontstond. Ook ons land ontkwam er niet aan.

Feiten en jaartallen
Allereerst geef ik een chronologische opsomming van de belangrijkste gebeurtenissen, die de bloei van de alternatieve geneeskunde in ons land hebben geïnitieerd en begeleid.

1958: Rekest van de Ned. Werkgroep v. Paranormaal begaafden (NWP) aan het parlement om bona fide genezers niet meer te vervolgen.
1966: Begin van een serie ambtelijke commissies om de Wet op de Uitoefening der Geneeskunst (de wet van Thorbecke, de meest overtreden wet uit de geschiedenis van de vaderlandse rechtspraak) te moderniseren.
1975: Bezoek van prins Bernhard aan een Londense acupuncturist.
1975: KNMG-jaarcongres (Zwolle) over 'randgebieden der geneeskunde': homeopathie, antroposofie en acupunctuur. Veel protest in Med. Contact.
1977: Congres Gelijke Rechten voor Alle Geneeswijzen, Amsterdam (1500 deelnemers).
1980: Verschijnen Rapport-Muntendam (Commissie Alternatieve Geneeswijzen).
1980-1993: Door VWS gefinancierd effectiviteitsonderzoek van alternatieve geneeswijzen.
1987: Pro-alternatief vestigingsbeleid huisartsen door staatssecretaris Van der Reijden.
Medisch Contact plaatst advertenties waarin bijv. 'homeopathische huisarts' wordt gevraagd. Vergeefs protest hiertegen door voorzitter Ver. tegen de Kwakzalverij.
1988-1990: Affaire Van der Smagt: Biltse huisarts veroordeeld door KNMG-rechtspraak wegens 'openlijke kritiek' op (alternatieve) collega's.
1989: Besluit Wijziging Farmaceutische Hulp door staatssecretaris Dees, waarin het ziekenfondspakket werd geschoond van goedkope, maar werkzame huismiddelen, maar waarin de vergoeding van homeopathische en antroposofische middelen gehandhaafd werd.
1991: Nieuwe gedragsregels van de KNMG inzake toelaatbaarheid alternatieve behandelwijzen door artsen. Blijkt in 'proefproces' te leiden tot blijvende acceptatie van alternatieve artsen binnen de KNMG.
1993: Verwijdering antroposofische en homeopathische middelen uit het ziekenfondspakket door staatssecretaris Simons.
1993: Wet BIG; geneeskunde wordt een vrij beroep.
1993: Notitie Alternatieve Geneeswijzen van Simons: overheid treedt terug, ook t.a.v. alternatieve geneeskunde.
1993: Verschijnen Rapport Gezondheidsraad over 'Alt. Behandelmethoden en Wetenschappelijk Onderzoek (AB&WO). Conclusie: dit onderzoek is mogelijk. Regering legt de aanbevelingen van de commissie (die onder leiding stond van Borst-Eilers) naast zich neer.
1996: Start rijksgesubsidieerd 'Kwaliteitsbeleid alternatieve beroepsorganisaties' door NIVEL, CBO en Consumentenbond.
1998: Start registratie homeopathica door College ter Beoordeling van Geneesmiddelen.
1999: Optreden van 'niet-toxische tumor-arts' Houtsmuller als 'invited speaker' op KWF-jubileumcongres.

De oprichtingsdata van de diverse alternatieve artsenclubs onderstrepen de constatering – en jongeren weten dat niet altijd – dat de alternatieve geneeskunde een fenomeen is van de jaren zeventig en niet veel ouder.

1898 Vereniging van Homeopathisch Artsen Nederland (VHAN)
1968 Ned. Ver. Antroposofische Artsen (NVAA)
1973 Ned. Artsen Acupuncturisten Vereniging (NAAV)
1975 Artsenvereniging tot Bevordering der Natuurgeneeswijze (ABGN)
1981 Artsenfederatie Alternatieve/ Additieve Geneeswijzen (AAG)
1981 Ned. Ver. Artsen Manuele Geneeswijzen (NVAM)
1987 Maatschappij ter Bevordering der Orthomoleculaire Geneeskunde (MBOS)

Statistieken
De volgende getallen zijn merendeels ontleend aan de jaarlijkse gezondheidsenquête van het CBS.

Het aantal artsen, dat een alternatieve geneeswijze toepast, steeg sterk vanaf 1975 (toen plm. 100) tot 1993 (1150) en begon daarna licht te dalen: in 2001 plm. 1100. In volgorde van omvang van hun beroepsvereniging zijn dat m.n. de acupuncturisten, homeopaten, antroposofen, manueel artsen, natuurgeneeskundige en orthomoleculaire artsen.

De alternatieve 'consumptie' steeg vlgs. CBS-cijfers van 1981 (jaarlijks 4% van de bevolking) tot 1989 (jaarlijks 6% van de bevolking) met ruim 50%, om sindsdien constant te blijven. Al ruim tien jaar neemt deze niet meer toe.

Het percentage huisartsen dat (ook) alternatieve geneeswijzen biedt steeg dramatisch vanaf 1975 (1-2%), via 4,6% (1985), naar 8,7% (1990) tot een piek in 1993 van 9,4%. Daarna zette een gestage en nog steeds doorgaande daling in tot 6,3% in 2000.

Momenteel is 2,2% van alle artsen in Nederland lid van een vereniging van alternatieve artsen. In 2000 bezochten plm. 950.000 mensen een alternatieve genezer, hetgeen leidde tot bijna 6 miljoen consulten.
Hoger opgeleiden (Hbo/Univ.) maken veel vaker gebruik van alternatieve genezers dan lager opgeleiden: 9,5% tegen 3,6%.
Vergeleken met de gewone medische consumptie is de behandeling door alternatieve genezers betrekkelijk onbeduidend. Het percentage Nederlanders dat per jaar resp. een huisarts, specialist, tandarts, fysiotherapeut of alterneut bezocht bedraagt 75%, 38%,77%, 15% en 6%.

Enquête
Een kleine enquète onder 132 Groningse medisch studenten tijdens het Studentencongres aldaar in juni 2001 bracht aan het licht, dat het met hun kennis van alternatieve geneeswijzen slecht gesteld is. Ongeveer 50% zou onderwijs over dit onderwerp toejuichen. De volgende percentages foute antwoorden kwamen op mijn vragen. Homeopathie is een geneeswijze op basis van plantaardige stoffen: 64%. Magnetiseurs hebben een gave: 21%. Reinigingskuren zijn nuttig: 22%. Psychische factoren spelen een rol bij het ontstaan van kanker: 29%. Alternatieve geneeswijzen zijn schadelijk: 24%. Chinese acupunctuur is flauwe kul: 26%.

Onderwijs over alternatieve geneeswijzen aan a.s. artsen en verpleegkundigen, anders dan nu geschiedt (laatdunkende opmerkingen tussen neus en lippen in de medische studie en onterecht ontzag bij de verpleegkundige opleidingen), is dus mogelijk, maar moet het ook en wat moet daarbij zeker aan de orde komen? Op deze vragen hopen wij het antwoord te vinden. Ik dank u voor uw aandacht.

Lees ook