Reguliere en alternatieve huisartsen even pragmatisch?

Reguliere en alternatieve huisartsen even pragmatisch?

Foto: Pixabay.com

Veel Nederlandse huisartsen moeten niets hebben van alternatieve geneeswijzen. Ze willen hun patiënten geen ijdele hoop geven. Maar wat doe je wanneer een patiënt zelf vraagt om homeopathische middelen of andere behandelingen waarvan de werkzaamheid niet is bewezen? Dan blijkt de praktijk weerbarstig. Nico Terpstra, voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, reageert op de bevindingen van wetenschappers. Wat gebeurt er in de spreekkamer?

Reguliere huisartsen over alternatieve geneeskunde

Nederlands onderzoek is helaas niet voorhanden, maar zowel in Engeland als Duitsland zijn vrij recent diepte-interviews gehouden met tientallen reguliere huisartsen. Aan de huisartsen is gevraagd hoe ze staan tegenover de complementaire en alternatieve geneeskunde, of ze er gebruik van maken, en zo ja, waarom. Het blijkt dat de artsen in beide landen een opmerkelijk pragmatische instelling hebben.

In Duitsland hebben de onderzoekers van de TUM School of Medicine in München tientallen reguliere huisartsen geïnterviewd. Zowel ervaren artsen, in de leeftijd van 41 tot en met 70 jaar1 als beginnende huisartsen (dertigers) met slechts enkele jaren ervaring.2 Beide groepen stonden over het algemeen sceptisch tegenover complementaire en alternatieve geneeswijzen, maar gaven aan er wel regelmatig gebruik van te maken. Zo schreven ze allemaal met enige regelmaat kruiden voor.

De Duitse artsen hebben een pragmatische instelling. Het welbevinden van de patiënt staat in hun ogen voorop. Het gaat erom dat het probleem van de patiënt wordt opgelost. Een van de artsen: ‘Het voordeel is dat ik eenvoudigweg een breder palet bezit… Waar conventionele medicijnen tekortschieten of wanneer de patiënt andere ideeën heeft, dan heb ik nog alternatieve behandelingen.’

Een andere arts vertelde: ‘Dus, als de man weer kan lopen, omdat de pijn in zijn heup is verminderd, dan is het therapeutische doel bereikt. Het maakt niet uit of de heup is vervangen of dat ik acupunctuur heb gebruikt of iets anders heb aangeraden.’ De artsen gaven ook aan dat ze soms hun toevlucht nemen tot alternatieve geneeswijzen om het vertrouwen te winnen van hun patiënten. Dit vertrouwen is nodig, juist om ze ervan te overtuigen dat het gebruik van conventionele geneesmiddelen of behandelingen, zoals chemotherapie en operaties, soms echt nodig zijn.

Ook in Engeland overheerst pragmatisme. Aron Jarvis van de Universiteit van Manchester interviewde met enkele collega’s 19 ervaren huisartsen in het noordwesten van Engeland.3 De artsen moesten niet veel hebben van de alternatieve geneeskunde en benadrukten dat die over het algemeen slecht was onderbouwd. Toch schreven ze het niet volledig af. Wanneer patiënten informeerden naar alternatieve middelen die geen kwaad konden, waren ze bereid het toe te staan: ‘probeer het maar’. Dit gold met name voor patiënten bij wie conventionele medicijnen weinig meer te bieden hadden.

We moeten, gezien het kleine aantal respondenten, voorzichtig zijn met deze onderzoeksresultaten, maar in onze buurlanden lijkt het pragmatisme in de spreekkamer te overheersen. Hoe zou dat in Nederland zijn?

‘In de spreekkamer ben ik een zacht ei’

Nico Terpstra, huisarts en voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, herkent de pragmatische instelling wel: “Als mensen tegen mij in de spreekkamer zeggen ‘dokter, ik ben bij de homeopaat geweest’, dan veroordeel ik dat niet. Ik ben de bondgenoot van de patiënt, niet zijn rechter. De patiënt staat bij mij op 1, 2 en 3. Ik ga nooit uit de hoogte doen. Als de patiënt aangeeft dat hij het prettig vindt om zijn ziekte met homeopathische middelen te bestrijden, dan zeg ik ‘ik hoop maar dat het werkt’. Ik ben er ook pragmatisch in, want de patiënt is mijn vijand niet. De vijand is de kwakzalver, de man of vrouw die uit geldbejag niet-werkende medicijnen verkoopt.”

Terpstra merkt op dat die pragmatische instelling je ook voor dilemma’s plaatst: “Ik zal een voorbeeld geven. Er kwam een patiënt bij mij die zijn hoge bloeddruk niet met medicijnen wilde bestrijden. Hij wilde per se homeopathische middelen. Ik zei ‘die krijg je niet van mij, daarvoor is dit te belangrijk. Ik wil elk medicijn voorzichtig op je uitproberen, want ik denk dat hoge bloeddruk een belangrijke, en preventief te behandelen, aandoening is’. Je raadt het al, elk pilletje dat ik voorschreef had bijwerkingen. Er was geen enkele pil op de planeet waar hij positief op reageerde. Dus toen zei hij ‘ik ga het nu echt bij de homeopaat proberen’.

Hij voelde zich daarna direct een stuk beter, maar zijn bloeddruk bleef veel te hoog. Ik vertelde hem dat het een risicovolle situatie was, maar hij is er toch mee doorgegaan. Tot hij een beroerte kreeg. Toen heb ik een hele moeilijke tijd gehad. Had ik dit niet veel harder moeten aanpakken? Het is gebeurd omdat ik toegeeflijk was en de bondgenoot van de patiënt wilde zijn. Ik kan loeihard zijn, maar in de spreekkamer ben ik een zacht ei. Ik vraag me nog steeds af ‘Hoe had ik dit kunnen voorkomen?’ en ik weet nog steeds het antwoord niet. Ik had tegen hem kunnen zeggen ‘als je het zo ziet, dan is er voor jou geen plek meer in mijn praktijk’, maar dan laat je mensen in de steek. Het is een goed voorbeeld van hoe allerlei theoretische gedachten over hoe het moet, stuklopen op wat je patiënt wil.”

Antroposofische huisartsen en homeopaten over reguliere geneeskunde

Nadine Raaphorst (indertijd Erasmus Universiteit, nu werkzaam bij de Universiteit Leiden) en Anne Knape (Universiteit Utrecht) hebben dit thema van de andere kant benaderd. Zij interviewden juist huisartsen die complementaire en alternatieve geneeswijzen gebruikten en hoe die aankeken tegen de reguliere zorg en het gebruik van conventionele medicijnen. Raaphorst interviewde 19 antroposofen, acupuncturisten en homeopaten4 en Knape interviewde voor haar masterscriptie 14 homeopaten.5

De motivatie van deze huisartsen om alternatieve geneeswijzen te gebruiken loopt uiteen, maar ze delen volgens deze twee studies een ‘holistisch’ wereldbeeld. Zowel Raaphorst als Knape merkten dat de huisartsen op zoek zijn naar de ‘diepere oorzaken van ziekten’ en vinden dat je ‘breder’ naar ziekten moet kijken. De artsen zijn ervan overtuigd dat ‘een mens meer is dan wat je kan meten, wegen en tellen’ en dat sommige dingen niet meetbaar zijn, zoals emoties, de geest en ‘energieën’. Ze wijzen op de emotionele oorzaken van klachten (omdat, zoals een van de artsen het samenvatte, ‘99% van alle ziekten emotioneel bepaald zijn’). In hun ogen is een ziekte niet per definitie iets negatiefs. Je kunt er iets van leren voor je ‘persoonlijke en spirituele ontwikkeling’.

De interviews laten zien dat de alternatieve artsen gemengde gevoelens hebben bij conventionele medicatie. Toch schrijven ze in de praktijk bij ernstige en levensbedreigende situaties die conventionele medicijnen voor. Ze zien de medicatie als een ‘noodzakelijk kwaad’. Ook al worden mensen in hun ogen dan niet ‘echt’ gezond, het is voor de korte termijn wel een oplossing.

De alternatieve artsen hebben ook nog andere, meer praktische argumenten. Wanneer patiënten zelf om conventionele medicijnen, zoals antibiotica, vragen dan geven ze die ook. Zoals een van de alternatieve artsen zei: “Nou ja, wie ben ik om te zeggen ‘je mag het niet’”.

Raaphorst wijst op nog een andere factor: regelgeving. Raaphorst: ‘De artsen die ik heb gesproken zouden het liefst vanuit hun holistische wereldbeeld willen werken, maar dat kan nu eenmaal niet. Dus ze staan pragmatisch tegenover reguliere geneeskunde. En dan niet alleen omdat patiënt het wil, maar omdat het nu eenmaal moet. Ook al was het soms een frustratiepunt, ze benadrukten dat ze zich aan de regels hielden.’

Net als bij het Duitse en Engelse onderzoek onder reguliere huisartsen, moeten we ook met deze Nederlandse onderzoeksresultaten voorzichtig zijn. Raaphorst benadrukt de beperkingen: ‘Het onderzoek was niet bedoeld om representatieve uitspraken te doen over alle huisartsen in Nederland die complementaire en alternatieve geneeswijzen gebruiken. Je hebt bij dit kwalitatieve onderzoek te maken met een bias in je steekproef. Het gaat om mensen die mee willen werken. Er waren ook alternatieve artsen die niet mee wilden werken.’

Het kan goed dat de hardcore alternatieve huisartsen niet aan bod zijn gekomen. De artsen die Raaphorst interviewde hielden zich aan de regels en zagen de alternatieve geneesmiddelen als een aanvulling. Raaphorst: “Ik bleef tijdens de interviews vervallen in de term ‘alternatieve geneeskunde’. Dat vonden ze vaak geen fijne term. Ze zeiden dan ‘wat ik doe is niet alternatief, het is complementair’. Het reguliere was voor hen het startpunt.”

Een ‘medicijnvrije’ huisarts

Alternatieve genezers die ook keurig conventionele medicijnen voorschrijven? Zijn ze net zo pragmatisch als reguliere huisartsen? Nico Terpstra is verre van overtuigd. Hij kent teveel voorbeelden van regelrechte kwakzalverij. Terpstra: “Was het maar waar! Er zijn antroposofische huisartsen waarbij je als patiënt niet blootgesteld wordt aan reguliere praktijken. Het zijn mensen die de patiënt uitmelken en voorliegen. Een goed voorbeeld is Marije Berkelaar. Die noemde zichzelf ‘de eerste medicijnvrije huisarts’. Die wilde geen medicijnen meer geven en geen onderdeel meer zijn van de farmaceutische industrie, want het lichaam loste het allemaal zelf wel op. Ze werkte wel mooi op een huisartsenpost.Collega’s vroegen haar ‘hoe werkt dat dan bij een acuut ziektebeeld, waarbij je direct moet ingrijpen?’

Je zult op de huisartsenpost maar een medicijnvrij huisarts treffen: dat gaat te ver! Die Berkelaar dacht niet in termen van ‘en en’, maar was een voorbeeld van iemand die rücksichtslos de alternatieve wereld omarmde. Dat mag, maar dan moet je jezelf geen huisarts noemen. Dan word je maar alchemist, op zoiets.”

Literatuur

1 Ostermaier, A., N. Barth, en K. Linde, How German general practitioners justify their provision of complementary and alternative medicine–a qualitative study. BMC complementary medicine and therapies, 2020. 20: p. 1-8.
2 Huber, C.M., N. Barth, en K. Linde, How young german general practitioners view and use complementary and alternative medicine: a qualitative study. Complementary Medicine Research, 2020. 27 (6): p. 383-391.
3 Jarvis, A., et al., General practitioners’ beliefs about the clinical utility of complementary and alternative medicine. Primary Health Care Research & Development, 2015. 16 (3): p. 246-253.
4 Raaphorst, N. en D. Houtman, A necessary evil that does not ‘really’ cure disease’: The domestication of biomedicine by Dutch holistic general practitioners. Health, 2015: p. 1–16.
5 Knape, A.F., Regular medicine: can’t live without, won’t heal within. The case of the Dutch homeopathic physician. 2019, Universiteit Utrecht, Research Master Thesis History and Philosophy of Science: Utrecht.

Dr. J. Berveling, socioloog, is wetenschapsjournalist (www.debestewoorden.nl)

Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij

Schrijf je in en ontvang het Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij (NTtdK).

Word lid east
Kwakzalverij