Encyclopedie: Protocollen van de Wijzen van Zion

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen
De Protocollen van de Wijzen van Zion zijn de beruchtste vervalsing aller tijden. Ze worden onder meer aangehaald door de lobby tegen de vaccinatie en andere samenzweringsfantasten, en passen dan ook perfect in de antivaccinatie-strategie van alsmaar dezelfde leugens herhalen.
Door: Van de Webredactie | Geplaatst: 23 okt 2009 | Laatste Wijziging: 15 feb 2016

Hoewel de Protocollen zowel kort na hun productie door de tsaar werden afgewezen als vervalsing, en kort nadat ze in het westen bekend raakten (ca. 1920) ook ontmaskerd werden, worden ze telkens maar opnieuw geciteerd en herdrukt. Hieronder volgt een citaat uit Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen, door Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys (vierde herziene druk, De Geus, 2002).

De Protocollen zijn een zogenaamd verslag van een vergadering van de Internationale Joodse Samenzwering. Samenzweringstheorieën en antisemitisme waren er al vele eeuwen voor de Protocollen, maar van samenzweringen horen we na de middeleeuwen niet zoveel meer. Tussen Waarheid en Waanzin vervolgt:

Het geloof in de joodse samenzwering leefde daarna pas weer op in 1806, toen de jezuïet Augustin Barruel-Bauvert, uit de zogenoemde Simonini-brief opmaakte dat de joden achter de Franse Revolutie zaten. Pas halverwege de 19de eeuw leefde in heel Europa het *antisemitisme pas echt op, en in Frankrijk verschenen werken als dat van Henri Roger Gougenot des Mousseaux (1805-1876), Le juif, le judaïsme et la judaïsation des peuples chrétiens (1869), een werkje waarvoor de auteur door paus Pius IX gezegend en geprezen werd. Veel invloedrijker was het uit Des Mousseaux geplagieerde La France juive (1886) van de journalist Edouard Adolphe Drumont (1844-1917).

In Duitsland verscheen de roman Biarritz (1868), van Hermann Ottomar Friedrich Goedsche (1815-1878). Een van de hoofdstukken uit dit werk bevatte een beschrijving van een nachtelijke bijeenkomst van dertien joden op de joodse begraafplaats van Praag, waarbij de aanwezigen het vorderen van de joodse samenzwering bespraken. Dit fragment dook vier jaar later op in een pamflet uit St. Petersburg, met de toelichting dat het waar gebeurd zou zijn, en weer negen jaar later stond het in een Franse krant. De verschillende toespraken waren toen aaneengesmeed tot 'De toespraak van de rabbi', en onder die naam veroverde het fragment een plaats in de antisemitische literatuur, te beginnen bij de Antisemiten-Katechismus ('Eine Zusammenstellung des wichtigsten Materials zum Verständnis der Judenfrage') van Theodor Fritsch (1852-1933) uit 1887.

De Protocollen

'De toespraak van de rabbi' was een voorproefje van de ongetwijfeld meest kwaadaardige antisemitische vervalsing: de Protocollen van de Wijzen van Zion. Ook dit was een fictief verslag van een vermeende bijeenkomst van een joodse wereldregering. De Protocollen onthulden in 24 hoofdstukjes hoe joodse 'Wijzen' de wereld op de knieën wilden dwingen: door het zaaien van politieke verwarring en onrust onder de bevolking (door middel van politieke partijen), het ondermijnen van de economie, de moraal, het tegen elkaar opzetten van landen, de aanleg van geheime tunnels onder de grote steden van Europa om die te kunnen opblazen (onder het mom van metrobouw) et cetera.

De Protocollen kwamen begin 20ste eeuw in Rusland in de publiciteit, waar ze enige malen werden herdrukt. Nadat in november 1917 de communisten de macht gegrepen hadden, namen Russische vluchtelingen de tekst mee naar West-Europa. In 1919 verscheen de eerste Duitse editie bezorgd door Gottfried zur Beek (een pseudoniem van ene Ludwig Müller). Generaal Ludendorff, de belangrijkste Duitse generaal tijdens de Eerste Wereldoorlog, en zijn vrouw, Mathilde von *Kemnitz, werden warme pleitbezorgers van de Protocollen. Die sloten namelijk naadloos aan bij de door Ludendorff in het leven geroepen 'Dolkstootlegende', die stelde dat Duitsland in 1918 niet werd verslagen maar op de knieën werd gedwongen door een 'dolkstoot in de rug', door een joods-bolsjewistische samenzwering. In juni 1922 werd de Duitse staatsman-filosoof Walther Rathenau (geb. 1867) vermoord door fanatiekelingen die meenden dat hij een van de Wijzen van Zion was. De Franse president Paul Doumer (1857-1932) werd vermoord door een fanatieke antisemitische Russische emigrant die meende dat Doumer een werktuig was van de joodse samenzwering.

Toen in 1933 Adolf *Hitler en zijn NSDAP de macht overnamen, werd de joodse samenzwering in wezen de staatsideologie. De Protocollen werden telkens aangehaald in de Völkische Beobachter en Der Stürmer en in 1935 zelfs als verplicht lesmateriaal op school voorgeschreven. Hitler schreef al in Mein Kampf over de Protocollen dat de protesten dat deze vervalsingen waren, slechts bewezen dat ze echt waren. Lange passages in zijn boek zijn dan ook vrijwel letterlijk uit de Protocollen overgeschreven. Velen deelden Hitlers overtuiging en tot het allerlaatst van de oorlog verwees de Duitse propagandamachine naar de thema's van de Protocollen. In 1961 verklaarde Adolf Eichmann (1906-1962) waarom de nazi's gefaald hadden: Hitler zélf was een marionet in handen van de 'internationale satanische topfinanciers', met andere woorden: de Wijzen van Zion.

Die ontmaskering van de Protocollen komt voor rekening van de Britse krant de Times (veel details kwamen pas boven water in een proces dat in 1934 in Bern werd gevoerd tegen nazistische Zwitserse verspreiders van de Protocollen). Toen het Russische pamflet in 1920 op de redactieburelen van de Times belandde, veroorzaakte het nogal wat beroering. Het geloof in een joods-bolsjewistische samenzwering was toen ook in Engeland wijdverbreid. In een redactioneel commentaar (op 8 mei 1920) vroeg de Times zich dan ook bezorgd af of Engeland nu ten prooi zou vallen aan de joden. Een jaar later wist echter Philip Graves, de Times-correspondent in Constantinopel te melden dat een Russische emigrant hem verteld had dat het om een vervalsing ging, gebaseerd op een Frans boek van ene Joly uit 1864. De Times leende het boek tegen een fors onderpand van de nooddruftige emigrant. De titelpagina ontbrak, maar een speurtocht in het British Museum bracht aan het licht dat het ging om de Dialogue aux enfers entre Montesquieu et Machiavel: ou la politique de Machiavel au XIXe siècle (Dialoog in de hel tussen Montesquieu en Machiavelli, of de politiek van Machiavelli in de 19de eeuw) van Maurice Joly (1831-1879). In dit boekje (324 pagina's op A6-formaat) loofde de politiek filosoof Niccolò Machiavelli op cynische wijze het beleid van de Franse keizer Napoleon III. Joly was in 1865 tot vijftien maanden gevangenisstraf veroordeeld toen de Franse politie het boek in handen kreeg. (Joly had het in Brussel laten drukken, nadat een Franse drukker al bij de derde dialoog – er waren er 25 – in de gaten had gekregen over wie het ging, en voor zijn leven vreesde.) Joly's boekje vormt inderdaad overduidelijk de basis voor de Protocollen.

Grote delen waren letterlijk overgenomen. Twee derde van de tekst komt zo uit Joly, en ook de opbouw is die van Joly, maar er zitten nog andere stukken tussen. De tekst is erg chaotisch. Het is vrijwel zeker dat ene M. Golowinsky in opdracht van de chef van de Parijse afdeling van de Russische geheime dienst (de Ochrana) Pjotr Ivanovitsj Ratsjkovsky (ca. 1851-1910) in de Parijse Nationale Bibliotheek driftig heeft zitten overschrijven uit het aldaar bewaarde exemplaar van Joly's boekje. Zijn of Ratsjkovsky's strepen in de kantlijn staan er nog in. Mogelijk zijn in de Protocollen ook (in Frankrijk of Rusland) delen verwerkt van een in 1884 bijeengeraapt geschrift bedoeld om de joden de moord op Alexander II in de schoenen te schuiven.

Ratsjkovsky was een berucht vervalser die vrijwel niet anders deed dan Russische revolutionairen in Parijs in diskrediet te brengen met vervalsingen. De tekst is van Frankrijk naar Rusland gesmokkeld door 'Ilonka' Juliana Dimitrievna Glinka (1844-1918), een theosofe en vertrouwelinge van Madame *Blavatsky (Glinka moest ijlings Frankrijk verlaten toen ze door de pers als Russische spionne ontmaskerd werd). In Rusland werd een handgeschreven exemplaar al in 1895 gesignaleerd, wat betekent dat het in Frankrijk samengesteld is op het hoogtepunt van het door Drumont aangestookte antisemitisme, namelijk het proces tegen de joodse officier Alfred Dreyfus. Het betekent ook dat het niet gaat om notulen van een geheime vergadering tijdens het zionistische wereldcongres in Bazel in 1897.

De Ochrana kon dergelijke antisemitische geschriften goed gebruiken om steun te verwerven voor de Zwarte Honderd-beweging. Deze agressieve antisemitische organisatie, verantwoordelijk voor vele moorddadige pogroms, vormde toen zo'n beetje de enige overgebleven steunpilaar onder het tsaristische regime. In elk geval waren de Protocollen aanvankelijk gericht tegen de Russische minister van Financiën graaf Witte en diens hervormingsplannen, maar aanvankelijk maakten ze weinig indruk. Toen in 1903 de Protocollen werden afgedrukt in het antisemitische tijdschrift Znamja (als bewijs van een samenzwering van joden en vrijmetselaars) kwamen ze onder de aandacht van Tsaar Nikolaas II. Hij was geschokt – totdat zijn minister van Binnenlandse Zaken hem vertelde waar ze vandaan kwamen. Nikolaas schreef in de kantlijn: 'Protocollen laten vallen. Met smerige methoden kan men geen edel doel bereiken'. Dat zou het einde zijn geweest van de Protocollen als de antisemitische mysticus Sergei Nilus via zijn connecties met de tante van de tsaar, groothertogin Jelisaveta Fjodorovna, toch van de censuur toestemming kreeg om ze in 1905 in de tweede druk van zijn boekje Het grote in het kleine als appendix op te nemen.

Daarna werden ze in steeds bredere kring gelezen. En geloofd. Bij het proces tegen Beillis (*rituele moord) in 1912 werden ze niet gebruikt, omdat iedereen met enig verstand van zaken wel wist dat ze een vervalsing waren. Na de revolutie in 1917 hadden alle soldaten in het witte leger een kopie van de Protocollen in hun rugzak, als bewijs dat de rode revolutie de schuld van de joden was. Deze tekst was daarmee een belangrijk instrument bij de pogroms die het witte leger in de periode 1917-1919 uitvoerde en waarbij 100.000 doden vielen.

De communistische machthebbers maakten korte metten met het Russische antisemitisme, en gedurende 40 jaar leek het geloof in de joodse samenzwering van de Russische bodem te zijn weggevaagd. Alleen tegen het eind van Stalins regime stak het weer even de kop op, toen er sprake was van een complot van joodse artsen. De dood van de dictator voorkwam echter dat het tot vervolgingen kwam.

Tien jaar later verscheen (tot grote verontwaardiging van veel westerse communisten) het boek Judaïsme zonder versiering (1963) van Trofim Kischko. Het bleek het begin van een stroom publicaties die door sovjetwoordvoerders aangeduid werd als 'antizionistisch', en waarin de joden gebrandmerkt werden als kapitalistische samenzweerders die eropuit waren de communistische heilstaat te vernietigen. Hoe oppervlakkig de loyaliteit van Kischko en de zijnen jegens deze heilstaat was, bleek in 1986, toen het sovjetimperium ging wankelen. Toen beschuldigden ze de joden er ineens van dat ze verantwoordelijk waren voor het communistische bewind! In die tijd doken de Protocollen voor de zoveelste maal weer op, en ze zijn in nationalistisch-conservatieve kringen nog steeds populair.

Amerikaanse complottheorieën

De belangrijkste verkondigers van de joodse samenzwering zitten echter niet in Rusland, maar in de VS. Daar is het geloof in de samenzwering wellicht nooit zo verbreid geweest als in Rusland rond 1917 of in nazi-Duitsland, maar het is ook nooit echt van het politieke toneel verdwenen.

Een van de belangrijkste vooroorlogse propagandisten was autokoning Henry Ford. Hij was de drijvende kracht achter de Amerikaanse uitgave van de Protocollen, The international jew (1920). Het boek veroorzaakte een storm van protesten. Toen onthuld was dat de Protocollen een vervalsing waren, verzon Fords privé-secretaris Ernest Liebold de 'Fordtactiek': of de tekst echt is of niet doet er niet toe, het gaat erom of wat er in staat een plan is dat daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden. Het duurde tot 1927 voordat Henry Ford zich van de inhoud distantieerde, een forse schadevergoeding betaalde en de verspreiding van The international jew probeerde te stoppen – te laat. Ford was een antisemiet, mogelijk onder invloed van Liebold. Hij heeft *Hitler en de NSDAP jarenlang gesteund. Al die jaren had Hitler een portret van Ford op zijn bureau staan, en Hitlers verweer tegen de aantijging dat de Protocollen vals waren, was eenvoudig de Fordtactiek. Als rijkskanselier verleende Hitler aan Ford de hoogste onderscheiding die het Derde Rijk kende.

Ford had een bescheiden aantal volgelingen in eigen land. De belangrijkste waren de evangelist Gerald Winrod (wiens zoon Gordon en kleinzoon David nog steeds actief zijn in rechts-extreme kring) en de katholieke priester Charles Coughlin. (Hij kreeg in 1942 door zijn bisschop een spreekverbod opgelegd en hield zich daar ook keurig aan tot zijn dood in 1979.) Belangrijker is dominee Gerald Smith, oprichter van het maandblad The cross and the flag, dat van 1942 tot aan zijn dood in 1976 voortdurend nieuwe joodse samenzweringen onthulde.

Het geloof in de joodse samenzwering liep in de Tweede Wereldoorlog een gevoelige klap op, maar uitgestorven is het niet. Velen verspreiden nog steeds dergelijke ideeën, en overal waar nazistische of fascistische bewegingen de kop op steken, zijn de Protocollen niet ver, telkens zoals vanouds met nieuwe voorwoorden en toelichtingen (Nilus had al minstens vijf verschillende verhalen opgedist over de herkomst). De bekendste verspreider is wellicht Willis Carto, oprichter van de Liberty Lobby en uitgever van het tijdschrift The spotlight, die verder vooral bekendstaat als fanatiek *holocaust-ontkenner. Andere verkondigers van de joodse samenzwering zijn te vinden in de door Fords persvoorlichter opgerichte *Christian Identity-beweging en de daarmee verwante militia-beweging. In 1993 werd The international jew herdrukt, en die vindt ook gretig aftrek in afro-racistische kringen. De Protocollen zelf zijn sinds 1990 al meer dan dertig maal herdrukt in de VS alleen al. In de Arabische wereld zijn ze eveneens populair en Palestijnse terroristen dragen ze bij zich als amulet.

 

Literatuur

Ben-Itto, Hadassa, 'Die Protokolle der Weisen von Zion'; Anatomie einer Fälschung. Berlijn, 1998, vertaald als: Anatomie van een vervalsing: De Protocollen van de Wijzen van Sion, Aspekt, Soesterberg, 2000.
Cohn, N., Warrant for genocide. Londen, 1996.
Laqueur, W., Black Hundred. New York, 1993.

Naschrift oktober 2009

Veel extra informatie staat op de Engelse Wikipedia. Daar valt onder meer te lezen dat Joly op zijn beurt was geïnspireerd door een zeven jaar eerder verschenen roman waarin de jezuïeten een complot smeden om de werldheerschappij te grijpen.

De historicus Michael Hagemeister heeft erop gewezen dat er eigenlijk nog veel onduidelijk is over het ontstaan van de Protocollen. Wie er heeft zitten overschrijven uit Joly en waarom eigenlijk, en wat de rol van Nilus en anderen is geweest, is onzeker. Zie hiervoor zijn artikelen:

'Sergej Nilus und die "Protokolle der Weisen von Zion" Überlegungen zur Forschungslage', In: W.Benz (red.) Jahrbuch für Antisemitismusforschung 5, p. 127-147.

The Protocols of the Elders of Zion: Between History and Fiction. New German Critique, vol. 103, vol. 35, No. 1, Spring 2008, p. 83-95.

Aan deze bron is de foto van de bijna 40-jarige Sergei Alexandrovich Nilus (1862-1929) ontleend, die als illustratie voor dit artikel is gebruikt.

De getuigen zijn niet zo betrouwbaar. Maar dat de Protocollen een pak leugens zijn, en wat hun rol in de nazi-propaganda is geweest, is wél duidelijk. Wie deze Protocollen citeert alsof ze ook maar enigszins op feiten berusten, kan niet meer serieus genomen worden. Voorbeelden van zulke personen zijn David Icke en Désirée Röver.


 

Lees ook