Het hardnekkige kwaad van de kankerkwakzalverij

Door: C.P. van der Smagt | Geplaatst: 17 feb 2002
Uit het Actieblad, april 1994

Hoofdstuk 70 van het Amerikaanse standaardwerk op het gebied van kanker, Cancer: Principles and Practice of Oncology, is gewijd aan alternatieve kankertherapieën in de VS De auteur, Gregory A. Curt, beschrijft enkele van de 54 verschillende onwerkzame, alternatieve kankerbehandelingen die in de VS populair zijn of zijn geweest. De omvang van het probleem is, evenals in Europa, aanzienlijk. Van de zes miljoen thans levende Amerikanen bij wie eens de diagnose kanker is gesteld, heeft één miljoen ooit gebruik gemaakt van één of meer alternatieve geneeswijzen. In 1984 schatte men de jaarlijkse omzet in de kankerkwakzalverij op vier à vijf miljard dollar.

Merkwaardigerwijs zijn de slachtoffers van de kwakzalvers vaker te vinden onder blanken en hoger opgeleiden dan in lagere sociale milieus. Bepaald verontrustend is dat patiënten met een beginnend kankerproces en nog weinig symptomen (wanneer de kansen op succes van een reguliere therapie het grootst zijn) eerder geneigd zijn een alternatieve therapie te kiezen dan patiënten in latere stadia van de ziekte.

Net als andere vormen van kwakzalverij zijn ook alternatieve kankerbehandelingen sterk aan mode onderhevig, waarbij ze vaak de vooruitgang in de reguliere geneeskunde weerspiegelen. Zo zag men in de veertiger en vijftiger jaren, toen het gebruik van röntgenstralen bij de bestrijding van kanker sterk in opkomst was, ook bij kwakzalvers de neiging om apparaten te gebruiken (onze eigen, beruchte dokter Samuels – nummer twee van de top twintig ergste kwakzalvers van de twintigste eeuw – levert hiervan een mooi voorbeeld). In de jaren zestig en zeventig, toen grote vorderingen werden gemaakt met chemotherapie van vergevorderde kanker, kwamen ook onwerkzame, maar zeer populaire middelen als krebiozen en laetrile op de markt. De laatste jaren schrijft de mode voor dat de behandelmethode "biologisch" moet zijn, gericht op het herstellen van de eigen afweer van de patiënt. Hierbij wordt kanker meer gezien als een symptoom van een gestoorde stofwisseling dan als een ziekte op zichzelf, zodat verandering van leefgewoonten, dieet, het innemen van vitamines en enzymen en het vermijden van stress en milieuverontreiniging een belangrijke rol toebedeeld krijgen bij de behandeling en preventie. In dit verband is het veelzeggend dat, nu de rol van laetrile als chemotherapeuticum vrijwel is uitgespeeld, het middel is herboren als vitamine B17. Van alle tijden zijn de slogans waarmee alternatieve kankertherapieën worden aangeprezen: wetenschappelijk bewezen, even effectief of effectiever dan de reguliere behandeling, maar veiliger, natuurlijker en met minder bijwerkingen.

Een strenge wetgeving, maar toch
De auteur geeft een overzicht van de wetgeving in de VS op het gebied van kwakzalverijbestrijding. Onjuiste en frauduleuze therapeutische claims zijn strafbaar en van geneesmiddelen moeten werkzaamheid en veiligheid zijn aangetoond voor ze op de markt gebracht kunnen worden. Het is interessant om vast te stellen dat wetgeving, hoe streng ook, blijkbaar een omvangrijke frauduleuze praktijk op het gebied van de gezondheidszorg niet kan voorkomen. Curt doet op boeiende wijze verslag van de opkomst en neergang van een aantal historische alternatieve kankertherapieën, die niet zelden eindigden met grote processen tegen de uitvinders.

Opvallend hierbij is telkens weer dat, ook al worden de alternatieve genezers als bedriegers ontmaskerd en ook al lukt het bij herhaling niet om enige geneeskrachtige werking van de alternatieve therapie aan te tonen, toch grote groepen patiënten hardnekkig in de behandeling blijven geloven en zelfs bij de overheid aandringen op erkenning ervan. In Nederland zien we iets dergelijks met het onwerkzame middel vasolastine en ook de Moerman-behandeling.

Curt staat lang stil bij het medicament laetrile, een ook in Nederland niet onbekend kwakzalversmiddel dat uit 1952 dateert. Diverse malen is overtuigend aangetoond dat laetrile geen enkel effect op tumorgroei heeft, maar wel giftige nevenwerkingen. Toch is het in de V.S. het beroemdste en meest populaire alternatieve kankermedicijn aller tijden geworden. Dit was mogelijk door een intensief en langdurig manipuleren van de pers door de producenten. Van een in 1963 gepubliceerd propagandaboek, Laetrile - Control for Cancer, werden verscheidene hoofdstukken in belangrijke kranten en tijdschriften overgenomen. Naar aanleiding van enkele processen van de Amerikaanse overheid tegen de producenten van het middel, raakte het publiek in de waan dat het "establishment" er op uit was om kankerpatiënten een waardevol geneesmiddel te onthouden. Op haar beurt werd de overheid door burgers aangeklaagd wegens de schending van het grondwettelijke recht op een onschadelijke therapie. Intussen waren in 1978 naar schatting 70.000 patiënten met het middel behandeld, van wie er, naar uit een enorm retrospectief effectiviteitsonderzoek bleek, mogelijk zes enige baat bij de therapie hadden gevonden.

Modernere alternatieve kankerbehandelingen zijn veelal gebaseerd op de gedachte dat kanker ontstaat door een tekortschieten van de immunologische afweer en dus behandeld kan worden door deze afweer te versterken. Daartoe worden produkten van menselijk bloed ("immunoaugmentative therapy") of urine ("antineoplaston therapy") toegediend, met alle gevaren voor besmetting met hepatitis en AIDS van dien. Van enige werkzaamheid van deze behandelingen is tot dusver niets gebleken. Andere populaire benaderingen van het probleem zijn die met dieetmaatregelen en behandelingen met enzymen, voedingssupplementen en hoge doses vitaminen (waaronder het zogenaamde vitamine B17 = laetrile). Positieve effecten van dit soort behandelingen, die verwantschap vertonen met onze nationale Moerman- en Houtsmullertherapie zijn niet aangetoond. Wel zijn er aanwijzingen dat vitaminen een rol kunnen spelen bij de preventie van kanker. Hierbij moet men echter bedenken dat hoge doses van sommige vitaminen, met name A, D en E, gezondheidsschade kunnen veroorzaken.

Methode Simonton is zeer populair
Opvallend mild oordeelt Curt over de methode van Simonton, een zelfhulpprogramma van ontspannings- en verbeeldingsoefeningen, gebaseerd op de gedachte dat positief denken en stressvermindering een therapeutisch effect zouden hebben bij kanker. De methode, die in de VS enorm populair is, is uitdrukkelijk bedoeld als aanvulling op de reguliere behandeling en niet als alternatief. Het toepassen ervan zou ontspanning bevorderen en mensen het gevoel geven controle over hun lichaam te hebben. Het welbevinden zou toenemen terwijl schadelijke nevenwerkingen ontbreken. Toch staat het bepaald niet vast dat psychologische factoren een belangrijke rol spelen bij het ontstaan en verloop van kankerprocessen. Er is zelfs nogal wat onderzoek gedaan waarvan de resultaten het tegendeel lijken te suggereren. Vooralsnog moet de methode Simonton dan ook gerekend worden tot de behandelwijzen waarvan het nut niet vast staat.

Curt doet verslag van een aantal serieuze onderzoeken, verricht door onpartijdige wetenschappers, naar de werkzaamheid van alternatieve kankertherapieën. Uiteraard kon nimmer een therapeutisch effect worden aangetoond. Eén vergelijkend onderzoek, waarbij twee groepen patiënten met uitgezaaide darmkanker waren betrokken, had een verrassend resultaat. Hoewel de overlevingsduur in beide groepen niet verschilde, bleek de kwaliteit van het leven in de uitsluitend regulier behandelde groep significant beter dan die van patiënten die behandeld werden met zogenaamde weerstandverhogende vaccins, vegetarisch dieet, BCG-injecties en koffieclysmata. Dit onderzoek geeft dus geen steun aan de wijdverbreide overtuiging dat alternatieve therapieën (met hun nadruk op zelfhulp en het ontbreken van bijwerkingen) misschien dan geen effect op het kankerproces als zodanig mogen hebben, maar toch tenminste de kwaliteit van het leven van kankerpatiënten kunnen verbeteren.

De auteur besluit het hoofdstuk met een beschouwing over de noodzaak en de mogelijkheden van voorlichting over alternatieve kankerbehandelingen. Hij stelt vast dat opvoeding van het publiek heden ten dage de wetgeving heeft verdrongen als belangrijkste wapen in de strijd tegen alternatieve kankertherapieën.

Een onderzoek in Noord-Holland
In dit verband is ook een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 5 februari 1994 zeer interessant. Het betreft het verslag van een omvangrijk onderzoek door de psychologen N. van der Zouwe en F.S.A.M. van Dam, de socioloog N.K. Aaronson en de statisticus G.J.F.P. Hanewald naar de omvang en achtergronden van het gebruik van alternatieve geneeswijzen bij kanker in Noord Holland.

De onderzoekers stelden vast dat ten tijde van het onderzoek 9,4% van de kankerpatiënten gebruik maakte van een alternatieve therapie, terwijl 5,8% dit eerder had gedaan en 7,9% het ernstig had overwogen (deze getallen komen goed overeen met de Amerikaanse gegevens). Het meest populair was het moermandieet, gevolgd door homeopathie, natuurgeneeswijze en een aantal andere behandelmethoden (waaronder simontontherapie, enzymen, vitaminen en laetrile). Evenals in de VS bleken hier de alternatief behandelde patiënten significant hoger opgeleid, met een hoger inkomen en bovendien jonger dan de uitsluitend regulier behandelde patiënten. Weinig verrassend is de vaststelling dat alternatief behandelde patiënten significant vaker uitzaaiingen hadden, vaker in een progressieve fase van het kankerproces verkeerden en negatiever stonden tegenover de reguliere gezondheidszorg. Het gebruik van alternatieve therapieën hing significant samen met het geloof van patiënten dat verkeerde voeding en psychische factoren kanker veroorzaken, factoren die beschouwd worden als vatbaar voor persoonlijke beïnvloeding. Alternatief behandelde patiënten gingen, in vergelijking met uitsluitend regulier behandelde patiënten, actiever om met de problemen rond ziekte en behandeling, zij probeerden meer greep te krijgen op de situatie door cognitieve controle en namen niet zo gauw een afwachtende of berustende houding aan.

Over het algemeen waren de verwachtingen omtrent het mogelijke effect van de alternatieve therapie niet al te hoog gespannen. Slechts enkele patiënten verwachtten door de alternatieve behandeling te kunnen genezen, de meesten dachten aan vertraging van het kankerproces of het voorkómen van uitzaaiing. De helft van de gebruikers van alternatieve behandelwijzen meende op één of andere manier baat te hebben bij de therapie. Enkelen (5%) geloofden zelfs van kanker te zijn genezen. Een kwart van de patiënten wist niet of de therapie werkzaam was en ongeveer een vijfde had geen enkel effect bemerkt.

De auteurs berekenen dat in het jaar 2000, wanneer in Nederland ongeveer 300.000 kankerpatiënten worden verwacht, 50.000 - 75.000 van deze patiënten een alternatieve behandeling zullen ondergaan. Het is niet bekend hoeveel mensen in Nederland zich uitsluitend alternatief laten behandelen.

Diagnose kanker roept angst op
Kankerpatiënten voelden zich vaak aangetrokken tot alternatieve geneeswijzen omdat een 'holistische' benadering beter beantwoordde aan hun psychologische behoeften. Het gebruik van een alternatieve behandeling zou een signaal kunnen zijn dat de patiënt gebrek aan steun en informatie ervaart. Mensen hebben er behoefte aan om negatieve gebeurtenissen begrijpelijk te maken. Artsen hebben vaak geen bevredigende verklaring voor het ontstaan van kanker bij een individuele patiënt, terwijl veel alternatieve geneeswijzen wel een begrijpelijke en hanteerbare (schijn)verklaring bieden. Niet zelden trachtten de patiënten door de alternatieve therapie een eigen bijdrage aan de behandeling van hun ziekte te leveren. De vaak voorkomende overtuiging dat voeding en stress een rol spelen bij het ontstaan van kanker impliceert dat het ziekteproces mogelijk controleerbaar is.

Gebleken is dat 40% van de patiënten hun regulier werkende arts niet op de hoogte brengt van het feit dat ze ook een alternatieve therapie ondergaan. Patiënten gaven te kennen zich gekwetst te voelen wanneer reguliere behandelaars het gebruik van alternatieve therapieën veroordeelden. De auteurs van het artikel wijzen de Amerikaanse manier van voorlichten, waarbij de patiënt duidelijk wordt gemaakt dat van alternatieve behandelingen geen gunstig effect is vastgesteld, dat anekdotische verbeteringen geen bewijs vormen, dat wonderbaarlijke genezingen soms voorkomen zonder dat dit het gevolg hoeft te zijn van de alternatieve therapie en dat er volgens de huidige inzichten in de medische wetenschap van alternatieve geneeswijzen geen effect te verwachten is, af. Werkers in de reguliere gezondheidszorg mogen een negatief oordeel over alternatieve behandelmethoden natuurlijk wel uitspreken, maar men moet er voor waken de patiënt niet het gevoel te geven dat deze zelf wordt afgewezen.

Het artikel wordt besloten met de conclusie dat de diagnose kanker angst oproept. Het gebruik van een alternatieve geneeswijze is voor sommige patiënten een manier om zich tegen deze angst teweer te stellen. 'Daarom zou een gesprek over alternatieve therapieën niet zozeer de effecten ervan moeten betreffen als wel de angsten, de vragen en de onzekerheden van de patiënt over de ziekte en over de reguliere behandeling.'

Deze conclusie sluit goed aan bij de ervaring van huisartsen en specialisten die kankerpatiënten begeleiden en zal ongetwijfeld de instemming genieten van de meeste werkers in de gezondheidszorg. Des te meer reden echter om energiek de strijd aan te binden tegen lieden die op schaamteloze wijze die angst van de kankerpatiënt exploiteren en die door het wekken van valse hoop en het verkopen van illusies zichzelf trachten te verrijken.

Nieuwsbrief

De Digitale Nieuwsbrief van de VtdK houdt u regelmatig op de hoogte van nieuwe artikelen op deze site.

Lees ook