Het rookgordijn van ZonMW

De VtdK heeft kritiek gehad op ZonMW, omdat die een zinloze en dure poging heeft ondernomen om alternatieve artsen te leren onderzoeken. ZonMW heeft zich in Medisch Contact verdedigd tegen de kritiek van de VtdK. Maar ZonMW verhulde waar het werkelijk om gaat en jokte bovendien.
Door: Van de Webredactie | Geplaatst: 8 okt 2009

Eerst maar de jokkentjes. Koene en Van Dam hadden geschreven 'VWS had via ZonMw 190.000 euro ter beschikking gesteld', daarmee suggererend dat dit het verspilde bedrag was. Zie ook: De lekkende geldkraan van ZonMW. Het bedrag was bedoeld voor bijscholing en ook om wat onderzoekjes door de arts-cursisten te financieren. ZonMW verdedigde zich met te suggereren dat er maar 53.000 euro was uitgegeven. De werkelijkheid is dat het hele project een forse kostenoverschrijding kende. VWS heeft uiteindelijk nog 30.000 euro meer subsidie gegeven dan beloofd, maar ZonMW heeft uit eigen zak 53.000 euro bij moeten passen, en de totale feitelijke kosten bedroegen dus 273.000 euro.

Dan de kwestie van de cursusduur. Een normale opleiding tot onderzoeker kost vier jaar, dat is de standaardtijd die voor een promotieonderzoek staat. In dat licht maakt het geen zier uit of men een bijspijkercursus van 18 hele dagen (ZonMW) of 12 dagdelen (VtdK) aanbiedt. Het is onvoldoende. Dat de cursisten er te weinig van hebben opgestoken, blijkt onder meer uit het feit dat een van de cursisten in het 'afstudeerproject' verzuimde te denken aan het organiseren van een controlegroep. Nauwkeurige lezing van het eindverslag levert 13 hele dagen op.

De VtdK is natuurlijk niet tegen onderzoek, maar wel tegen slecht onderzoek. Naar het oordeel van de VtdK was niet alleen de 'onderzoeksopleiding' een lachertje, maar waren de ingediende voorstellen voor onderzoeken ver beneden de maatstaven die in de grotemensenwereld worden aangelegd. Daar horen we ZonMW niet over. Wel zouden volgens ZonMW alternatieve artsenorganisaties zich bewuster zijn geworden van het belang van goed onderzoek. Het is onduidelijk waarom dit doel niet bereikt had kunnen worden met een goed gemotiveerde afwijzing van de voorstellen.

Koene en Van Dam leggen het bovenstaande in beknopte vorm uit in een brief die in de Medisch Contact van heden staat. Over hun eerdere opmerkingen in Medisch Contact verschenen op 30 september 2009 vier ingezonden brieven, onder andere een brief van een huisarts-acupuncturist die hen kapittelde dat ze niet op de hoogte waren van de wonderen van acupunctuurpunt SP6 die uroloog Bemelmans en anderen uit de doeken gedaan zouden hebben. Maar Koene was en is precies op de hoogte van dit werk, en er is hetzelfde mee mis als met veel ander alternatief onderzoek: geen of inadequate controles.

Geneesmiddelbeelden

Een goed onderzoeksvoorstel vertrekt van een solide kennisbasis, en geeft aan hoe die uitgebreid kan worden. Dat is altijd een teer punt bij het onderzoek van allerlei extravagante claims. Het homeopathievoorstel was op dat punt het zwakst.

Voor de leek op homeopathisch gebied diene de volgende toelichting. Van zeer veel homeopathische middelen is er in de negentiende eeuw een zogeheten geneesmiddelbeeld opgesteld. Zo'n geneesmiddelbeeld bestaat in wezen uit een waslijst van honderden of soms duizenden 'symptomen' die vrijwilligers noteerden nadat ze zo'n middel hadden ingenomen. Als ook maar één vrijwilliger een bepaald symptoom opvallend of de moeite van het opschrijven waard vond, dan werd het toegevoegd aan het geneesmiddelbeeld. Die vrijwilligers werkten ongeblindeerd en er was geen controlegroep. Symptomen die samenhingen met al bestaande kwalen werden zonder meer aan het beproefde middel toegeschreven (zie paragraaf 138 van de Organon). Op die manier werden bijvoorbeeld 716 symptomen verkregen door proefpersonen met een magneet te bestrijken. De proeven werden met hoogverdunde middelen uitgevoerd. Het percentage symptomen dat niets met het middel te maken heeft zal daardoor wel 100 procent zijn. Vrijwel geen van deze 'symptomen' is in fatsoenlijk dubbelblind onderzoek bevestigd. In feite is een van de eerste geblindeerde onderzoeken met loting in de geneeskunde een geneesmiddelproef met hoogverdund keukenzout (en die verliep nadelig voor de homeopathie). Sommige symptomen komen helemaal niet uit geneesmiddelproeven, maar uit ongelukken met vergiften, zo zijn sommige symptomen van Apis mellifica (honingbij) gebaseerd op heftige allergische reacties op bijensteken. (Zie: Het Donner rapport, waar ook andere hier vermelde gegevens te vinden zijn.)

Een homeopaat die een patiënt, bijvoorbeeld een vrouw met premenstruele klachten, op bezoek krijgt, voert een lang gesprek met haar en destilleert daaruit een aantal subjectieve gegevens, variërende van 'de klacht is het ergste in de morgen' tot angst voor onweer en op welke zij men slaapt. Vervolgens wordt dit geheel van klachten zo goed mogelijk gekoppeld aan de geneesmiddelbeelden. Wat dan voorgeschreven wordt, is het middel waarbij deze koppeling van een allegaartje aan subjectieve klachten met een gigantische en op fantasie gebaseerde symptomenlijst het best lukt. Het doel van het onderzoek 'Homeopathie en PMS' was kennelijk dit proces te systematiseren. Maar gezien de volstrekte onzinnigheid van de basis (de geneesmiddelbeelden) kan men evengoed proberen een tarotkaartenconsult te systematiseren. De natuurwetenschappelijke basis ontbreekt ten enen male.

Het is niet onaannemelijk dat de reguliere beoordelaars van de ZonMW-projecten deze achtergrond van de homeopathie niet precies kenden. In de projectaanvraag stond het in elk geval niet uitgelegd. Homeopaten beschouwen de in hun heilige boeken vastgelegde geneesmiddelbeelden als onaantastbare waarheden.

De publieke discussie over de homeopathie concentreert zich voornamelijk op de vraag of die homeopathische verdunningen kunnen werken, maar ook de geneesmiddelbeelden zelf zijn onzin.

Het is zelfs niet uitgesloten dat de traditie van die oneindige verdunningen voortkomt uit het blinde geloof in de proeven om de geneesmiddelbeelden vast te stellen. Hahnemann gaf natuurlijk geen grote porties arsenicum, kwikchloride en giftige planten aan zijn familie en bekenden om achter de geneesmiddelbeelden te komen. Hij zal met (aanvankelijk niet al te grote) verdunningen gewerkt hebben. Het ligt voor de hand dat hij ontdekte dat de vrijwilligers bij proeven met hoge verdunningen evengoed grote hoeveelheden symptomen ontwikkelden. Dan zijn volgens de homeopathische logica die hoge verdunningen ook geschikt om zieken te behandelen. Vervolgens is de een of andere fantasiereden (potentiëren) natuurlijk vlug bedacht. Dit proces moet zich al voor 1819 hebben afgespeeld, want in dat jaar adviseerde Hahnemann om slechts C30-middelen te geven.

Had er dan helemaal geen homeopathisch onderzoeksvoorstel gedaan kunnen worden? Natuurlijk wel! De aanvrager had bijvoorbeeld kunnen voorstellen om van Sulfur 200C, of om het even welk ander gerenommeerd hoog verdund middel, het bestaan van een geneesmiddelbeeld objectief vast te stellen in een rigoureus geblindeerd en gerandomiseerd onderzoek. Bij een positief resultaat zou de wetenschap een reuzenstap vooruit gemaakt hebben, en een negatief resultaat zou ook van waarde zijn, omdat dergelijke negatieve resultaten meestal verdonkeremaand worden. Helaas weigeren homeopaten doorgaans om dergelijk onderzoek uit te voeren, omdat zij waarschijnlijk heel goed weten wat er uit zal komen.

 

 

 

 

 

Lees ook