Alternatieve genezers en wetgeving

Door: C.P. van der Smagt | Geplaatst: 29 mei 2001 | Laatste Wijziging: 13 feb 2016

In de Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst, die van 1865 tot 1997 heeft gegolden, was geregeld dat geneeskunde alleen mocht worden toegepast door lieden die daartoe een speciale, universitaire opleiding hadden genoten. Maar de wet werd zo vaak overtreden dat ze niet langer bleek te handhaven. Daarom vigeert sinds begin 1998 de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG). Bij het ontwerpen stond de wetgever voor ogen dat deze wet wel handhaafbaar zou moeten zijn en de burgers de volle vrijheid zou moeten geven om bij gezondheidsproblemen daar hulp te zoeken waar men die zelf meent te vinden.

Daarom staat het dus tegenwoordig aan iedereen vrij om beroepsmatig werkzaam te zijn op het terrein van de individuele gezondheidszorg, ongeacht opleiding of bekwaamheid. Uitgezonderd is slechts het verrichten van een dertiental risicovolle handelingen zoals chirurgische ingrepen, verloskunde, puncties e.d., die voorbehouden blijven aan daartoe bij de wet bevoegd verklaarden.

Volgens artikel 3 behoren deze bevoegden tot acht verschillende beroepen (arts, tandarts, apotheker, verloskundige, verpleegkundige, fysiotherapeut, psychotherapeut en klinisch psycholoog) waarvoor een stelsel van overheidsregistratie, tuchtrecht en titelbescherming bestaat. Ze zijn slechts bevoegd in zoverre ze 'bekwaam en deskundig' zijn, d.w.z. aan strenge eisen ten aanzien van opleiding, nascholing en toetsing hebben voldaan.

Van andere beroepen in de gezondheidszorg zoals dat van diëtist, logopedist of röntgenlaborant kunnen krachtens artikel 34 bij algemene maatregel van bestuur opleiding, deskundigheidsgebied en titel worden geregeld, maar alleen als deze beroepen zich al zodanig hebben ontwikkeld dat er duidelijkheid bestaat over de inhoud en er waarborgen zijn voor de kwaliteit van het geleverde product (blijkend uit een goede opleiding, een eigen registratie, een beroepscode en eventueel intern tuchtrecht).

In beginsel kunnen groepen alternatieve genezers ook voor deze laatste regeling in aanmerking komen, want de wetgever stelt geen eisen aan de werkzaamheid van een behandelmethode. De kans dat dit binnen afzienbare tijd zal gebeuren is echter uitermate klein, hoewel men in sommige alternatieve beroepsverenigingen (er zijn er niet minder dan 90!) al ijverig bezig is een eigen registratie te ontwerpen, uiteraard met overheidssubsidie. Want als het er op aankomt zijn deze genezers helemaal niet verlangend om in de wet te worden opgenomen, omdat ze dan aan bepaalde minimumeisen moeten voldoen. Voorlopig genieten deze genezers in Nederland een bijna onbeperkte vrijheid. Want terwijl de wet BIG voor 'bevoegden' strenger is dan de oude regeling was, kunnen kwakzalvers alleen maar aangepakt worden als ze misbruik maken van een beschermde titel en/of hun patiënten aantoonbare gezondheidsschade berokkenen (of als hierop grote kans bestaat).

Van de Inspectie voor de Gezondheidszorg wordt verwacht dat ze toezicht houdt op iedereen die zich beroepsmatig met geneeskunde bezig houdt, maar in de praktijk zijn haar mogelijkheden tot toezicht en sancties al beperkt bij artikel 34-beroepen en vrijwel nihil als het om beoefenaren van niet bij de wet geregelde beroepen gaat. Zelfs als de genezer lid is van een beroepsvereniging die een eigen registratie en tuchtrecht kent (komt vrijwel niet voor) dan kan hij zich eenvoudig aan controle door beroepsgenoten onttrekken door zijn lidmaatschap op te zeggen.

Gelukkig is het voor beoefenaren van artikel 3-beroepen niet mogelijk om zich, door zich te laten schrappen uit het register, te onttrekken aan het wettelijk tuchtrecht. Zo zal een arts altijd voor de tuchtrechter gedaagd kunnen worden ook al noemt hij zich homeopaat of acupuncturist.

De wet BIG is een unicum in Europa en wordt in het buitenland meestal uitermate belachelijk gevonden.

Een andere nieuwe wet, de Wet op de Geneeskundige Behandelings-Overeenkomst (WGBO), die deel uitmaakt van het Burgerlijk Wetboek, regelt een aantal patiëntenrechten zoals het inzagerecht, het recht op informatie, het recht op vrije keuze van hulpverlener, het recht op geheimhouding en het toestemmingsvereiste. In deze wet wordt geen onderscheid gemaakt tussen reguliere en alternatieve hulpverleners. Of de wet echter veel zal bijdragen aan het terugdringen van bedrog in de gezondheidszorg is zeer de vraag. Er is nog weinig ervaring mee opgedaan. Interessant is de vraag hoe het recht op informatie zal worden geïnterpreteerd gegeven het feit dat alternatieve genezers vrijwel nooit juiste mededelingen doen over het (ontbreken van) geneeskrachtig effect van hun therapie en beloften doen die niet waar gemaakt kunnen worden.

Een derde nieuwe wet is de Wet Klachtrecht Cliënten Zorgsector die zorgaanbieders verplicht om een regeling te treffen voor de behandeling van klachten over hun professioneel handelen. De regeling moet aan allerlei eisen voldoen en naleving van de wet is zo nodig af te dwingen via de kantonrechter.

Zorgaanbieders zijn instellingen of individuele hulpverleners die zorg verlenen als omschreven bij of krachtens de ziekenfondswet, de AWBZ en de wet op de bejaardenoorden. Hieronder vallen vrijwel geen alternatieve behandelmethoden, dus alternatieve genezers zijn doorgaans niet onderworpen aan de wettelijke klachtregeling. Desondanks hebben sommige alternatieve beroepsorganisaties een klachtregeling ontworpen naar voorbeeld van de reguliere zorgverleners. Maar aangezien de leden van de beroepsvereniging zich eenvoudig aan de regeling kunnen onttrekken lijkt het erop dat hiermee eerder propagandadoeleinden zijn gediend dan een reëel patiëntenbelang.

Lees ook