Encyclopedie: Psychoanalyse

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen
Vorm van *psychotherapie, ontwikkeld door de Oostenrijkse psychiater Sigmund *Freud.
Door: Van de Webredactie | Geplaatst: 30 apr 2009 | Laatste Wijziging: 15 feb 2016

Het theoretische raamwerk dat hij hiervoor construeerde geldt als een van de meest ongrijpbare en tegelijk invloedrijke vormen van pseudowetenschap van de 20ste eeuw.

De eerste versie van de psychoanalyse was gebaseerd op de volgende vooronderstellingen:

- neurotische klachten worden veroorzaakt doordat de cliënt traumatische herinneringen of fantasieën verdrongen heeft naar het onderbewuste;
- het onderbewuste streeft actief naar het onderdrukken van deze herinneringen en geeft zijn geheimen daarom slechts met grote tegenzin prijs;
- dat prijsgeven is echter noodzakelijk voor het herstel;
- de betreffende herinneringen zijn zonder uitzondering seksueel getint. In een latere versie van de psychoanalyse poneerde Freud echter:
- de 'herinneringen' die tijdens de behandeling naar voren komen zijn geen herinneringen maar fantasieën die samenhangen met verschillende stadia die de seksuele ontwikkeling van de cliënt doorlopen heeft. Ieder stadium, indien verstoord, brengt zijn eigen specifieke neuroses met zich mee.

Hieruit blijkt wel dat de psychoanalyse een nogal gecompliceerde ontstaansgeschiedenis kent. Freud was aanvankelijk vooral geïnteresseerd in het vinden van een verband tussen psychische klachten en de fysica van het menselijk brein. Tussen 1880 en 1900 kwam hij echter in aanraking met Jean-Martin *Charcot en Josef *Breuer. Bij Charcot maakte hij kennis met de opvatting dat *hysterie veroorzaakt wordt door dwanggedachten die zich in het brein nestelen (en zo nu en dan de macht overnemen), en bij Breuer maakt hij kennis met diens cathartische therapie. Hierbij werden 'verdrongen' trauma's naar voren gehaald door middel van *hypnose. Breuer claimde daarmee spectaculaire successen te hebben behaald.

Freud nam deze techniek over, maar kwam al spoedig tot de conclusie dat hij geen goede hypnotiseur was (ondanks zijn bezoek aan een van de beroemdste hypnotiseurs, Hippolyte Bernheim, lid van de School van *Nancy). Hij liet dit onderdeel varen en besloot de 'verborgen' trauma's op te sporen door middel van de associatieve methode, waarbij de patiënt vrijuit mocht spreken. Freud lette daarbij op 'veelzeggende' aarzelingen, opmerkingen en zinswendingen. Op grond hiervan ontwikkelde hij dan een beeld van de oorzaak van de neurose, dat hij dan weer aan de cliënt voorlegde. Als deze protesteerde en Freuds verklaring van de hand wees, was er nog niets aan de hand want een dergelijke reactie was immers te verwachten. Het onderbewuste bood uiteraard verzet tegen de therapie.

De psychoanalyse heeft in de jaren 1920 en 1930 praktisch alle andere vormen van psychotherapie naar de achtergrond verdrongen. Als model voor de menselijke geest heeft zij daarbij diepgaande invloed uitgeoefend op de westerse cultuur in de 20ste eeuw. Met name het idee van het actieve, repressieve onderbewustzijn heeft ver buiten de psychologie invloed uitgeoefend. De theorie der seksuele ontwikkelingsstadia is vooral terug te vinden in populair-psychologische en literaire werken. Onderdelen daaruit die altijd sterk tot de verbeelding spraken zijn penisnijd bij meisjes en het oedipuscomplex (het verlangen met de moeder te trouwen) bij jongens. In de academische psychologie hebben deze freudiaanse bijdragen echter nooit veel indruk gemaakt en heeft de psychoanalyse ook nooit echt voet aan de grond gekregen.

Psychoanalyse kan in principe jaren duren, en over het effect kunnen we kort zijn: dat is even gering als bij andere, vaak veel minder tijdrovende vormen van psychotherapie. Sinds de jaren 1960 is er sprake van een crisis in de psychoanalytische wereld, veroorzaakt door de opkomst van andere therapievormen die sneller succes beloven en de moderne nadruk op gecontroleerd effectiviteitsonderzoek. Daarnaast is er sprake van een gestage stroom publicaties waarin Freuds denk- en werkwijze op genadeloze wijze aan de kaak wordt gesteld.

Literatuur
Eysenck, H., Decline and Fall of the Freudian empire. Harmondsworth, 1986.
Webster, R., Why Freud was wrong. New York, 1995.

 

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen, door Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys (vierde herziene druk, De Geus, 2002).

 

Naschrift oktober 2010

Mario Bunge somt in New Scientist van 29 september 2010 nog eens op waarom psychoanalyse nog steeds een pseudowetenschap is:

1. Wat er aan de vage beweringen van de psychoanalyse te testen valt, is weerlegd.

2. De zogenaamde meta-analyses die beweren de werkzaamheid aan te tonen, stellen niets voor. De proefnemingen met psychoanalyse hadden geen controlegroep, en er was geen rekening gehouden met placebo-effecten. Dit geldt ook voor de zogeheten psychodynamische theorie.

3. De psychoanalytici hebben in de ruim honderd jaar dat hun behandelwijze bestaat zich afzijdig van de wetenschap gehouden: ze hebben geen laboratoria, en ze publiceren niet in de wetenschappelijke vakbladen. 

 

Lees ook