Encyclopedie: Fysiognomiek

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen
'Gezichtleeskunde'. Techniek om aan de hand van de vorm en de trekken van het gezicht iets te zeggen over het karakter van de desbetreffende persoon.
Door: Van de Webredactie | Geplaatst: 30 apr 2009 | Laatste Wijziging: 16 aug 2016

Fysiognomisten meenden eigenschappen als gemeenheid, valsheid, onnozelheid et cetera te kunnen aflezen uit de vorm van ogen, neus, kin en nog zo wat lichaamsdelen. 

De fysiognomiek gaat terug op de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v.C.). In zijn Historia Animalium wijdde hij verscheidene hoofdstukken aan het verband tussen gelaatstrekken en -vormen en karaktereigenschappen: mensen met een smal hoofd waren wispelturig, met krullen in het haar waren dapper, en ga zo maar door. De belangstelling voor de fysiognomiek bloeide in de Renaissance weer op, dankzij de hernieuwde belangstelling voor ideale lichaamsverhoudingen. Er verscheen een ware stoet van werken met steeds weer nieuwe, verbeterde systemen ter indeling van de menselijke gelaatstypen. Voorbeelden zijn de werken van de Neurenberger Johannes de Indagine (in het Duits: Jäger), de Bolognees Bartolomeo Cocle (ook wel: Della Rocca) en de Fransman Michel Lescot. Boeken als Cocles' Physiognomonia (1551) zijn vooral beroemd om hun prachtige gravures. 

Een nieuwe bloeiperiode volgde aan het eind van de 18de eeuw, dankzij Johann Kaspar Lavater (1741-1801), die er met zijn schedelmetingen voor zorgde dat de toch vooral beschrijvende fysiognomiek overging in de veel exactere *frenologie. Het al bij Aristoteles aanwijsbare gebruik van parallellen tussen menselijke dierlijke gelaatstrekken en daarmee kenmerken (de krullende haren duiden uiteraard op het karakter van de leeuw) behoorde vanaf dat moment tot het verleden -- maar leefde wel door in het volksgeloof. Het is maar goed dat er weinig klopt van deze 'volksfysiognomiek', want anders was de ontwikkeling van de wetenschap in de war gekomen. Robert Fitzroy (1805-1865), de kapitein van de Beagle, het schip waarmee Charles *Darwin zijn beroemde wereldreis maakte, was een enthousiast fysiognomist. Hij zag aan de vorm van Darwins neus dat deze jonge geleerde een gebrek aan energie en vastberadenheid had, en dat hij het niet lang aan boord zou uithouden. Gelukkig hield Darwin het tot het eind van de reis uit. 

Het onderzoek naar de fysieke kenmerken van de 'geboren misdadiger' van de Italiaanse criminoloog Cesare *Lombroso kan als een laatste levensteken van deze vergeten karakterleer worden beschouwd. 

Literatuur
Desmond, A., en J. Moore, Darwin. Londen, 1991.
Seligmann, K., History of magic and the occult. Avenel, N.J. 1996.

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen, door Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys (vierde herziene druk, De Geus, 2002).

Naschrift augustus 2009

Een versie van fysiognomiek is natuurlijk de studie van welke gelaatsuitdrukkingen (en bewegingen zoals glimlachen of wenkbrauwen optrekken) met welke emoties corresponderen. Dat heeft niets met pseudo-wetenschap en kwakzalverij te maken. Een specialisatie van fysiognomiek is de *metoposcopie en in feite is de *iriscopie ook gegroeid uit het idee dat de kleur en vorm van de ogen van alles en nog wat over iemand kunnen zeggen.

De illustratie is ontleend aan het werk van de Franse kunstenaar Charles Le Brun (1619-1690), waarover meer in dit bericht.

 

 


 

 

 

Lees ook