Door: Fritz Donner | Geplaatst: 06 februari 2008

De brief van Fritz Donner aan Erich Unseld

Vertaald door Jan Willem Nienhuys

De brief van Fritz Donner aan Erich Unseld

Voor het origineel van deze brief en de herkomst daarvan zie elders op deze website.

 

Dr.Med. Fritz Donner
1 Berlin 37 (Zehlendorf)
Gartenstrasse 13

15 oktober 1966

De Heer Dr.med. E. Unseld
7 Stuttgart-S
Esslingerstrasse 6

 

 

Geachte collega Unseld,

Na mijn terugkeer van een reis vond ik uw twee brieven, waarin u me vraagt stelling te nemen. Ik begrijp uit uw brief dat u zich nu intensiever bezighoudt met vragen over de feitelijke waarde van de resultaten van de geneesmiddelproeven en ook van de geneesmiddelbeelden. Sinds 1927 heeft deze uiterst belangrijke kwestie mij niet losgelaten, en al die jaren is er nauwelijks een dag voorbijgegaan waarin ik me niet verdiept heb in het bestuderen van de bronnen.

Deze belangstelling begon met mijn persoonlijke ervaring met het geneesmiddelbeeld van Apis, dat ik maar heel beknopt heb geschetst in mijn werk. Dat was om te laten zien hoe dit geneesmiddelbeeld werkelijk tot stand is gekomen, in tegenstelling tot de wensbeelden van de homeopathische artsen. We hadden in 1927 een uitstekende groep assistenten, namelijk oudere collega’s die al jaren hadden gewerkt in universitaire klinieken en grote ziekenhuizen en die zoveel ervaring hadden opgedaan dat ze zich niet gemakkelijk iets lieten wijsmaken, die serieus nadachten over wat ze gezien en gehoord hadden, en dan vragen aan de chef-artsen stelden en objectieve antwoorden verwachtten. Ze stelden zich niet tevreden met loze praatjes. Dat was een situatie die volkomen tegengesteld was aan wat anders gangbaar was in het Stuttgarter ziekenhuis. Daar plachten namelijk collega’s direct na hun artsexamen te arriveren, of misschien een of twee jaar later en die hadden kritiek noch ervaring – waar zouden ze die trouwens opgedaan moeten hebben? Die geloofden meteen alles wat de chef-artsen ze vertelden.

De hele zaak begon met de Apiskwestie. Het trof mij pijnlijk toen ik merkte hoe de twee chef-artsen helemaal geen fatsoenlijk antwoord konden geven op volkomen vanzelfsprekende vragen. Ze raakten in de meest pijnlijke verlegenheid als men hun uitvoerig vertelde over de resultaten van mijn bronnenstudie. Nu ja, ze hadden in hun jeugd ook gewoon alles wat ze lazen maar geloofd en er nooit over nagedacht dat het toch wel heel erg raar is als een deelnemer aan een geneesmiddelproef opeens afwezigheid van dorst krijgt, of klachten aan de rechterzijde krijgt of zelfs een zakje onder het rechterooglid. Ze hebben gewoon verzuimd om het meest voor de hand liggende te doen, namelijk de bronnen van de geneesmiddelproeven inzien om te kijken hoe dat allemaal tot stand was gekomen. Ze hebben daar allerlei fantastische ideeën over bij elkaar verzonnen, bijvoorbeeld ‘vergeestelijkte medicijnen’ die bij geneesmiddelproeven een onvermoed effect hebben, die voor het materialistische denken nauwelijks te begrijpen zijn en waarvan de grootste geleerden uit de reguliere geneeskunde geen flauw idee hebben. Ondertussen is de o-zo-wijze homeopaat gewoon diep in de spirituele wereld doorgedrongen, enzovoorts. U kent dat deuntje en dat liedje zeker wel en u kent zeker ook enkele van de schrijvers, want in de 30 jaar dat u nu aan de Marienstrasse te Stuttgart werkt, moet u toch telkens weer met zulke gemankeerde collega’s in contact gekomen zijn.

Veertig jaar geleden, in 1927, stelden we aan de chef-artsen de allervanzelfsprekendste vraag wat er dan eigenlijk echt klopte van het Apisbeeld. Dat wilden we dus in ons collegedictaat optekenen. Een arts met verantwoordelijkheidsgevoel moet toch recepten uitschrijven op basis van feitelijke symptomen en geen fantasieën. Maar de chef-artsen toonden zich volkomen hulpeloos. Ze waren gewoon helemaal gefixeerd op de gebruikelijke Apissymptomen en hielden die voor absoluut zeker en waar. We merkten dan op dat oedeem na bijensteek niets met de nierfunctie te maken had en dat je dus niet van een niermiddel kon spreken. Verder ging een aantal personen die door bijen gestoken werden dood voor ze het oedeem weer konden uitscheiden. Daardoor vindt men in de protocollen vaker ‘extreme dorst’ dan ‘afwezigheid van dorst’, en is het dus onverklaarbaar dat de chef-artsen de ‘afwezigheid van dorst’ presenteerden als belangrijk sleutelsymptoom. Op de vele dergelijke vragen die tot de kern van de zaak doordrongen was de reactie slechts dat we voor ‘euvele allopaten’ werden uitgescholden. Over de zo ontstane indrukken hebben wij assistenten langdurig met elkaar gedebatteerd. Al in die tijd waren er ‘angry young men’!

Stiegele mopperde de volgende paar dagen tegen mij over de allopaten die ‘alles kapot willen maken’ en toonde zich allerpijnlijkst getroffen toen ik zei dat de assistenten gelijk hadden. Hij gaf als zijn mening dat op die manier alles in duigen zou vallen. Ik zei echter – wat ik nu nog steeds vind – dat van de boom met afzonderlijke geneesmiddelbeelden de onhoudbare symptomen moeten afvallen, en dat wat dan overblijft een geneesmiddelleer is die van de allerergste tegenstrijdigheden bevrijd is. Stiegele zei daarop dat dat dan wel heel wat anders zou zijn dan wat men tot dusver als homeopathie had betiteld. Hij hield me aan het lijntje met te zeggen dat in de komende jaren alles duidelijk zou worden. Welnu, zowel Stiegele als Leeser blijven bij het huidige geneesmiddelbeeld van Apis met al zijn onacceptabele sleutelsymptomen… en zo is het tot op heden. Een paar maanden geleden hoorde ik weer een voordracht over Apis, waarin alle oude onzin genoemd werd. In 1927 namen wij assistenten aan dat er toch werkelijk niet veel intelligentie voor nodig was om in te zien dat het klassieke Apisbeeld onacceptabel is. Maar daarin vergisten we ons. Stiegele noch Leeser hebben dat ingezien, eigenlijk een brevet van onvermogen voor de beide chef-artsen. Alles bleef dus bij het oude. Mijn artikel over de twijfelachtigheid van het geneesmiddelbeeld van Apis werd door geen van de toenmalige homeopathische tijdschriften geaccepteerd. Hun toelichting luidde: wij kunnen onmogelijk iets publiceren waarin zo ondubbelzinnig wordt aangetoond dat een van onze meest gebruikte middelen wat betreft het geneesmiddelbeeld op zo’n twijfelachtige basis berust, en evenmin dat de ‘belangrijke sleutelsymptomen’ die sedert tientallen jaren in alle boeken over Materia Medica in alle landen worden erkend, volledig in het land der fabelen thuishoren.

Zo gebeurde er wat er gewoon gebeuren moest. Wie niet horen wil, moet maar voelen. De gemachtigden van de RGA kwamen ook uit bij Apis, en onderwierpen het aan een diepgaande studie. Er waren zeer harde discussies met mij en separaat ook met Rabe. U kunt zich dat, mijnheer Unseld, misschien wel voorstellen. Men was ontzet – echt ontzet – dat Stiegele, Leeser enzovoorts niet konden inzien dat het Apisbeeld zo twijfelachtig was, en dat ze het verder zo in het ziekenhuis aan de assistenten vertelden. Evenzo vonden ze het volkomen onbegrijpelijk dat een artikel daarover door geen enkel homeopathisch tijdschrift werd geaccepteerd.

Daar kwam de kwestie met de heer Taube bij. Die was toen vice-voorzitter van de centrale vereniging, dus een respectabel persoon. Mij werd toen gevraagd of ik me kon voorstellen dat de vice-voorzitter van bijvoorbeeld het Duitse genootschap voor chirurgie, achter het spreekgestoelte gaat staan voor de vergaderde leden, en dan pure hersenspinsels afscheidt als ware het een hogere wijsheid, en dat dan niemand van de toehoorders opstaat en hem terechtwijst? Dat laatste was niet gebeurd bij Taube. Mij werd gevraagd of dan volgens mij dat hele gehoor geen flauw idee had gehad van de feiten betreffende het Apisbeeld? Op mijn ontwijkende antwoord kreeg ik te horen dat een collega van de RGA die bij die voordracht was geweest, later bij deze en gene wat nagevraagd had, en zo had vastgesteld dat de aanwezigen de uiteenzettingen van Taube voor de zuivere waarheid hielden. Vervolgens werd me de vraag gesteld of men in het homeopathische kamp bij de keuze van leidende figuren van de Centrale Vereniging net omgekeerd te werk ging als elders in de geneeskunde. Daar koos men toch altijd de best gekwalificeerde en best onderlegde artsen – dus geen fantasten – voor zulke vertrouwensposities. Van deze en nog veel meer vragen moest ik rekenschap afleggen!!

Collega Unseld, u bent de huidige voorzitter en u ligt dus behoorlijk in de gevarenzone, en u komt bij de weer oplaaiende toetsingen in dezelfde situatie. Het zou toch niet geheel misplaatst zijn, als u er eens over zou denken wat u in zo’n situatie zou willen antwoorden op zulke vragen.

Enkele jaren geleden kwam een van de toenmalige gemachtigden van de RGA bij mij thuis om daar het gehele materiaal over de toetsingen in bewaring te geven (drie of vier bundels akten van elk een meter hoog) totdat er bepaald was wie de bewerker en de redacteur van het materiaal zou zijn. Ik heb toen geweigerd om ook maar iets daarvan in mijn woning te hebben, evenals het voorstel om de bewerking zelf te doen.

Uiteindelijk was het resultaat dat de geneesmiddelleer in werkelijkheid in hoge mate dubieus is, hetgeen de vooraanstaande homeopaten niet weten of eenvoudigweg niet tot zich kunnen of willen laten doordringen. In mijn uiteenzettingen heb ik alleen maar de onschuldigste dingen genoemd. Op de klinische kant ben ik nauwelijks ingegaan. Zo verklaarden bijvoorbeeld de leidinggevende homeopaten eenvoudigweg tegen de gemachtigden dat wat ze gepubliceerd hadden niet serieus genomen moest worden, bijvoorbeeld de inleidende cursus van het Stuttgarter Ziekenhuis. De leiders van de cursus van Stuttgart (Stiegele en Mezger) hebben hun mond dicht gehouden over alle onzin die op de cursus werd verteld. Zoiets is elders in de geneeskunde toch niet mogelijk. Zo kon de toetsing van veel zaken helemaal niet doorgaan, omdat de homeopaten zich op pijnlijke wijze drukten. Toen Mezger in Bad Tölz in zijn voordracht gezegd had dat hij alle basedowgevallen genezen had, met uitzondering van…., was men van plan om bij Beckman in het ziekenhuis van Cannstatt een basedowafdeling te organiseren. Dat is een kleinigheid; men hoeft de secretaresse maar een brief aan de artsenkamer van Stuttgart te dicteren, dan naar de voorzitter van de RGA lopen om die een handtekening te laten zetten, en dan is Beckmann verplicht zoiets in te richten. Ik kreeg pijnlijke vragen te verduren, namelijk of volgens mij Mezger zich ook zou drukken net als de andere homeopaten, of dat hij dan de homeopathische toetsingen zou beginnen? Als hij zich zou drukken, dan hoefde de president [van de RGA] maar aan het opperbevel van de Wehrmacht te schrijven, dan zou Mezger worden opgeroepen voor oefening en dan bevel krijgen zich naar het ziekenhuis van Cannstatt te begeven. Men wilde mijn mening hebben, ten overstaan van Kuschinsky, die nu gewoon hoogleraar is in Mainz, W. Siebert, Prof. Strauss (de toenmalige gewoon hoogleraar chirurgie), de geneesheer-directeur Dr. Schlag, de assistenten en chef-artsen van W. Siebert, de heren van de RGA enzovoorts. Ik moest zeggen of ik aannam dat Mezger dan bij Beckmann ook ‘alle gevallen zou genezen’, en zo nee, waarom ik dan niets in de krant tegen Mezger geschreven had. Men kwam vervolgens te spreken over de aanbeveling van Stiegele over Thyreoïdine C30 voor basedow, en men verlangde van mij dat ik op een basedowafdeling het bewijs van Stiegeles aanbeveling zou leveren. Ik heb dat afgewezen, en toen kwamen de heren tot het inzicht dat het toch beter was dat in Stuttgart of Tübingen aan meer materiaal te laten toetsen door Stiegele en Unseld, of in Heidelberg door Stiegele en docent Schlüter. Wel, mijnheer Unseld, hoe zou dat dan wel zijn afgelopen? Zoudt u bereid zijn nu dergelijke onderzoeken in de kliniek van Tübingen uit te voeren? U hebt toch een veel ‘positievere’ instelling jegens de homeopathie dan ik, die wegens mijn door velen als negatief beschouwde instelling dit net zo streng zou afwijzen als toen.

Bij deze gelegenheid kwam men ook te spreken over het geneesmiddelbeeld van Thyreoïdine. Men toonde mij een Materia Medica waarin van alles en nog wat stond (ik geloof die van Heinigke). Omdat de farmacologen bij hun zoektocht naar bronnen voor geneesmiddelproeven niets gevonden hadden, en ook de bronnenlijst van Donner er niets over vermeld had, werd mij gevraagd of ik welke geneesmiddelproef dan ook kende. Ik kon wijzen op een Thyreoïdineproef die aan het Hahnemann Medical College was uitgevoerd met alle toenmaals gebruikelijke toeters en bellen. Die was er ‘stom’ verlopen. De volgende dag kon ik de heren een al jaren eerder vervaardigde vertaling in manuscriptvorm tonen, klaar voor de drukker. Ze waren enthousiast hoe zorgvuldig en kritisch onder de toenmaals gebruikelijke controles er was beproefd in Philadelphia, en ze vroegen mij wanneer het artikel gedrukt zou worden. Ik kon ze antwoorden dat de studie nooit gedrukt zou worden, omdat ze door de beide homeopathische tijdschriften was afgewezen, ‘omdat men onmogelijk een geneesmiddelproef kan publiceren, en dan nog wel een met zoveel controles, waar niet uitgekomen is wat de homeopathie leert. Deze zegt toch dat als men een middel in de respectievelijke potenties aan de proefpersonen geeft, de symptomen dan ook zeker optreden.’ Bij publicatie zou een lezer wel eens achterdochtig kunnen worden en dan zijn geloof in de homeopathische leer verliezen… De gemachtigden van de RGA waren natuurlijk ontsteld… zoals zo vaak bij een toetsing als ze met onverwachte feiten kennismaakten, feiten waarvan 99 percent of meer van de homeopathische artsen geen flauw idee hebben.

Ongeveer in 1937 had een van de – zoals Stiegele ze onder vier ogen aanduidde – ‘grote herrieschoppers’ zich in de bij dit soort mensen gebruikelijke geëxalteerde manier uitvoerig uitgelaten over een van onze difteriemiddelen. Dat had de belangstelling gewekt van W. Siebert, die toen juist aanwezig was. Ook hij heeft in zijn kliniek een grote afdeling voor infectieziekten. Hij besprak de zaken in de RGA met de andere gemachtigden, die nu hun onderzoeksteam op deze middelen loslieten. Enkele weken later verrasten zij me met de resultaten van hun onderzoekingen. Omdat ik sinds 1928 de details hierover al zeer goed kende konden wij daar zonder problemen over spreken. Op de vraag wat ik ervan wist, kon ik het volgende zeggen – ik noem nu slechts enkele punten. In 1870 heeft de Brooklyn Prover Union gegevens gepubliceerd over een geneesmiddelproef, en die heb ik in 1928 doorgelezen. Ene dr. Laura Morgan zou op een ochtend in 1870 met korte tussenpozen enkele korrels van het middel [wsch. Lac caninum] in C100.000 potentie [bedoeld is waarschijnlijk de CM potentie van dr. Swan; deze wordt bereid met vier verdunningsstappen van 1-10 miljoen] op de tong hebben genomen. Zij werd door deze uiterst actieve proefstof zo geweldig aangegrepen, dat ze 2 (twee) jaar lang de meest verschrikkelijke gevoelens in haar lichaam onderging. Het was zo erg, dat ze niet wist of ze waakte, droomde of hallucineerde (!!!). Zo was bijvoorbeeld haar kamer vol dieren, muizen, ratten, hagedissen, wezels met hele smalle spitse koppen en wat dies meer zij. Deze dieren kropen telkens ’s nachts bij haar in bed, wurmden zich tussen haar benen en kropen dan naar boven naar haar genitalia. Ze stond vervolgens de meest afschuwelijke angsten uit, omdat ze bang was dat de beesten in haar vulva wilden kruipen (en misschien wel aan haar clitoris wilden knabbelen – opmerking Donner) enzovoorts. Ze probeerde zo hard mogelijk om de dieren weg te houden van haar heiligdom. Ze heeft de dieren nooit met haar handen kunnen aanraken, maar ze was er zeker van dat ze er waren en stormenderhand op de vulva afgingen (dit is het belangrijkste in weinig woorden). … Welnu, wat is dat? Ik ben vroeger enige tijd bij een universitaire psychiatrische kliniek geweest – niet als patiënt maar als arts! – en mijn eerste diagnose was: alcoholica met jarenlange telkens weer recidiverend delirium tremens. Of ze eerder ook zulke verschijnselen had, daarover zwijgt het bericht van dr. Swan (uit New York). Natuurlijk, want volgens Hahnemann is alles wat na inname van het te beproeven middel optreedt uitsluitend en alleen veroorzaakt door het middel, ook als de proefpersoon tevoren dezelfde symptomen had. Men vroeg er verder dus niet eens naar.

Of zou mijn tweede diagnose kloppen, namelijk psychose door de overgang? [weinig waarschijnlijk, Morgan was ca. 24 jaar.] Laura had ook merkwaardige dromen die daarop betrekking hadden, echte dromen dus. Ze droomde bijvoorbeeld dat ze op een station stond te wachten op de trein. Ze wacht en ze wacht, maar er komt geen trein. Ten slotte vraagt ze een spoorwegbeamte, die zegt dat de laatste trein weg is en dat er geen trein komt. Typische een droom over angst om de boot te missen!! Nu had de goede Laura in die twee jaren nadat ze door een paar korreltjes C100.000 zo verschrikkelijk aangegrepen was, ook een keer – één keer!!! – keelpijn gehad. Een arts keek in haar mond en dacht dat ze een aanslag had en difterie had. Nu was toentertijd de opleiding van artsen in de VS allermiserabelst. Nog in 1890 kon men bijvoorbeeld in de staat Ohio, waar de staat een studie voorschreef van twee jaar in perioden van 6 maanden, met lagereschoolkennis op 1 juli beginnen, en al op 30 juni van het jaar daarop werd men als kersvers gepromoveerde officieel erkende arts de praktijk in gestuurd. De meeste scholen hadden geen ziekenhuizen, zodat de studenten helemaal geen zieken te zien kregen. Kent is in de jaren 1870 aan een van deze minderwaardige scholen gepromoveerd. Natuurlijk kon hij er niets van. Maar men moet toch eens bedenken of de opleiding zodanig was dat men enigermate steekhoudende waarnemingen over de werking van geneesmiddelen kon doen. Hetzelfde geldt ook voor Nash, Farrington, enzovoorts. Ik heb telkens maar weer op dit punt gewezen, maar de homeopathische collega’s zijn zo sterk op het idee gefixeerd dat alles in de homeopathie zo wonderbaarlijk zeker is, dat mijn opinies gewoon op hen afketsten. Welnu, onze Laura kan best alleen maar lichte keelpijn hebben gehad, want van bedlegerigheid staat niets aangegeven. Misschien was het ‘beslag’ een beetje uitgedroogd slijm bij een keelontsteking met prikkeling van de zijstrengen [plica salpingo-pharyngea]. De Amerikaanse homeopaten hebben op grond van deze geneesmiddelproef aan het middel zeer ingrijpende eigenschappen toegedicht en ze houden het voor een zeer krachtig difteriemiddel. Leest u toch, mijnheer Unseld, de oude Amerikaanse literatuur erop na! Ook in onze Duitse homeopathische Materia Medica’s wordt het als belangrijk difteriemiddel opgevoerd. Ook de boeken over homeotherapie hebben het en zelfs de kleine zakboekjes van Clarke of Stauffer, en allemaal volstrekt niet terloops!!!! Ook Leeser en Mezger in hun Materia Medica!!

U kunt zich wel voorstellen wat de gemachtigden van de RGA hierover zeiden, over die dingen die de toonaangevende homeopaten voor absoluut zeker hielden. De verontwaardigde RGA-gemachtigden waren ontzet dat ik dat allemaal wist en dat er nergens door mij voor het middel gewaarschuwd was. Ik werd behoorlijk uitgescholden, of ik dan geen verantwoordelijkheidsgevoel had ten opzichte van de homeopathie, en ten opzichte van de zieken die een homeopathische behandeling wensten. Dacht ik niet aan de strafrechtelijke gevolgen, als een homeopathische arts zou worden aangeklaagd wegens een niet geslaagde difteriebehandeling en als een deskundige voor de rechtbank aantoont op welke wijze het geneesmiddelbeeld tot stand is gekomen, enzovoorts, enzovoorts. Of ik me niet realiseerde dat een dergelijk geval tot een enorm schandaal zou leiden, wat tegenwoordig in onze nationaal-socialistische era zou kunnen leiden tot een totaal verbod van homeopathische therapie in het hele Reich (waarmee de heren volkomen gelijk hadden!!). Ik bleef heel rustig en zei in alle gemoedsrust, dat ik hier een artikel over had geschreven en dat ik er een uitvoerige lezing over gegeven had in het auditorium van het Stuttgarter Homeopathische Ziekenhuis, in aanwezigheid van de artsen van het ziekenhuis, in het bijzonder van de chef-artsen Stiegele en O. Leeser en de homeopathische artsen van Württemberg. Salvavi animam meam! [verwijst naar Ezechiël 3:19]

Nu wilt u weten wat daarna gebeurd is: hebben Stiegele of Leeser niet meteen zo duidelijk mogelijk gezorgd dat dergelijke dingen werden geëlimineerd en dat dan verder intensief nagespeurd werd, zodat dergelijke dingen ook bij andere middelen verdwijnen en de homeopathische artsen ervoor gewaarschuwd werden zulke middelen nog aan te wenden? De heren waren zeer opgewonden en wilden ook literatuurverwijzingen enzovoorts van mij weten. Het was een groots maar eigenlijk voor de homeopathie beschamend ogenblik. Ik kon naar waarheid eraan toevoegen dat Stiegele me een maand later tijdens het feest ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan van de Centrale Vereniging openlijk desavoueerde ten overstaan van de verzamelde homeopathische artsen. Hij noemde geen namen en hij zal het wel gedaan hebben uit onbeholpenheid omdat hij niet serieus stelling kon nemen. Maar na mijn terugkeer uit Leipzig hebben Stiegele en Leeser mij in de dienstkamer ontboden, en hebben mij medegedeeld dat als ik nog een keer een kritische voordracht zou geven over geneesmiddelproeven, ik er rekening mee moest houden dat ik op staande voet als chef-arts uit het ziekenhuis zou worden ontslagen.

Dit alles maakte een zeer diepe indruk op de heren, die ijverig alles opschreven, zodat het nu wel in hun aktes zal staan, en op een gegeven ogenblik door een redacteur gevonden kan worden. Die kan het dan verwerken in het officiële rapport. Per slot van rekening is het, zoals Kuschinsky toen zei, een ‘kenmerkend sleutelsymptoom’ van de situatie binnen de homeopathie.

Men wilde graag mijn voordracht lezen. Ik had toen nog thuis een doorslag van het artikel, welke ik ter beschikking moest stellen aan de RGA. Op de vraag waarom het artikel in de afgelopen acht jaar nog niet gepubliceerd was, moest ik toegeven dat de voordracht bij Wapler lag, die helaas zegt: zo iets kan men toch niet publiceren in een homeopathisch tijdschrift!

Alstublieft, collega Unseld, beschouw de hele kwestie toch niet als iets dat ver van u af staat! Men had gepland dat de controleproef voor difterie en het desbetreffende middel in Stuttgart zou plaatsvinden, dus door Stiegele en Unseld (of Schlüter). Een deel van het materiaal van de RGA is al gereed voor de drukker, zoals ik drie maanden geleden hoorde. Ik weet niet of het genoemde middel daarbij is. Als dat het geval is, dan zou het kunnen dat u misschien nog dit jaar verzocht wordt naar Tübingen naar professor Lembeck te gaan wegens vragen over gemeenschappelijk onderzoek van homeopathische zaken. Wat gaat u dan zeggen, met uw positieve instelling ten opzichte van de homeopathie? Ik benijd u niet! Zegt u, het middel is al 100 jaar in gebruik bij homeopaten, dus er zal wel iets van kloppen (dus hetzelfde wat vooral Leeser zegt)? Nou ja, dan is dat gewoon uw mening. Zegt u daarentegen dat u middelen afwijst die op zo’n manier beproefd zijn [in een geneesmiddelproef], tja, dan komen dezelfde vervolgvragen die Rabe kreeg, bijvoorbeeld: ‘U keurt dat streng af. Interessant. Zegt u mij eens, wat heeft u dan gedaan als voorzitter van de Centrale Vereniging?’ Als u dan zegt: ‘Niets’, dan is dat niet bepaald eervol voor de homeopathie. Maar zegt u: ‘Ja, maar ik wist helemaal niet dat een middel op een dergelijke basis staat…’ Wel, collega Unseld, ik zal niet verder uitweiden over wat Hanns Rabe in een dergelijke situatie op een dergelijk antwoord – overigens volkomen terecht – te horen kreeg.

Mijn korte artikel dat u nu hebt, was oorspronkelijk op 300 pagina’s begroot, nadat de Bondsgezondheidsdienst [Bundesgesundheitsambt, BGA] het bij mij had besteld. Ik was van mening dat men in de eerste plaats de homeopathische artsen op bepaalde feiten moest wijzen. Hun ogen zijn verblind door illusies, en zij staan tenslotte voor een hervatting van de toetsingen. Maar ik heb alle pijnlijke zaken weggelaten, zoals ik ook in het laatste hoofdstuk heb vermeld. De pijnlijke zaken zitten hoe dan ook in de aktes van de RGA en zij dreigen met hun volle gewicht neer te kletteren op de homeopathie, wat heel wel uiterst fataal kan zijn, als de homeopathische artsen zich niet radicaal afwenden van de wensbeelden die ze met betrekking tot de homeopathie hebben, en zich houden aan dingen die op feiten berusten. Sinds 1939 wacht ik daarop. Tot nu toe heeft het ‘grote ogenblik slechts een zwakke generatie’ ter beschikking gehad. [verwijst naar citaat van Schiller over de chaos in de Franse Revolutie]

Ik kom nu tot uw opmerkingen over de ‘Zuid-Duitse collega’. Ik wil daar heel kort over zijn, in de hoop dat u daar het benodigde in kunt vinden.

Ik nam in 1927 deel aan een geneesmiddelproef. Men sprak uitvoerig over het middel waarvan we de naam niet kenden. (Het was Asclepias vincetoxicum [Witte engbloem, Cynanchum vincetoxicum], dat Hugo Schulz had aanbevolen aan de chef-artsen.) Men wilde dat we allemaal onze hoeveelheid urine dagelijks maten, en ook de mictiefrequentie noteerden en dat wekelijks een bloedsuikerbepaling gedaan zou worden. De assistent-artsen moesten aan de chef-artsen uitleggen dat urinemetingen zinloos zouden zijn als er geen strikt standaarddieet gevolgd werd, de rustperioden precies bijgehouden werden, en de hoeveelheid beweging altijd gelijk bleef. Evenzo de bloedsuikermetingen zonder standaarddieet…. Nou ja, op verdere details ga ik maar niet in, u zult tenslotte al inzien dat dit een typisch pseudowetenschappelijke uitvoering van een geneesmiddelproef was. Dit was mijn allereerste kennismaking met een ‘wetenschappelijke geneesmiddelproef’ die met veel tamtam werd uitgevoerd. We waren er dus allemaal op attent gemaakt dat het iets met de urinelozing te maken had, speciaal omdat we bij ontvangst van de proefflesjes er met nadruk op gewezen werden dat we zorgvuldig moesten letten op verschijnselen aan de uropoëtische organen [nieren].

Een assistent, Gustav Müller uit Landsberg an der Warte, was afkomstig uit een groot ziekenhuis, was patiënt bij Gisevius, en had ook aan de cursus in Berlijn meegedaan. Hij pakte flesje nummer 1, goot enkele druppels op een vel wit papier, rook eraan, en zei: ‘Duidelijk, ruikt naar alcohol, geen kleuring, dus zeker geen tinctuur, maar een potentie. Ik hoorde in Berlijn dat sommigen aanraden met placebo te beginnen. Dit is er misschien wel een. Als iemand nu een groot aantal symptomen opschrijft en het eerste flesje heeft placebo, dan valt die door de mand als zwaar hysterisch…’ Nou ja zeg! Dat was mijn eerste geneesmiddelproef.

Toen ik in 1926 ging kijken in het Stuttgarter Ziekenhuis na een uitnodiging van Stiegele, trof ik daar een ietwat komische collega aan, die daar als student in de vakantie stage liep en die voortdurend vragen stelde. Later, toen ik vice-chef-arts was – dus in 1930 – kwam ik dezelfde collega tegen die toen arts-assistent was (Fritz Sievert uit Barth am Bodden in Voor-Pommeren). Hij begon erover dat hij een geneesmiddelproef moest doen en daar nog niet toe gekomen was gedurende zijn stage. Hij vroeg of er tegenwoordig nieuwe tests in de geneesmiddelproeven waren ingebouwd, en of men net als in 1926 met een placebofles begon. Ik vroeg hem verbaasd hoe hij op het idee van placebo kwam. Ik hoorde dat toentertijd zowel in de Stuttgarter vereniging als tijdens besprekingen over geneesmiddelen ook de geneesmiddelproeven vaak ter sprake kwamen en de gang van zaken daarbij. Bovendien had bij vaak in homeopathische tijdschriften gegrasduind… Ik zal u verdere voorbeelden besparen. Het is gewoon belangrijk dat er onder de assistenten en gastartsen altijd wel een was die iets over placebocontroles gehoord of gelezen had. Een onschuldige kleine opmerking onder het eten in de kantine is voldoende om deze controle tot een illusie te maken. Bovendien wordt met de geneesmiddelproeven niet meteen op de eerste dag na indiensttreding begonnen, maar pas maanden of kwartalen later, dus op een tijd dat de proefpersonen al wat om zich heen gekeken hebben en zich met homeopathische zaken hebben bezig gehouden.

Bij mijn proefpersonen werd al op de derde dag na het begin van de cursus met de geneesmiddelproef begonnen, dus met placebo. Deze collega’s hadden toen ze kwamen deels geen flauw benul van homeopathie. Sommigen hielden het voor een soort kruising tussen de waterbegietingen volgens Kneipp en Bircher-muesli, of iets tussen iriscopie en pendelkunde. Een aanzienlijk deel was ontslagen als schoolarts, districtsarts, vertrouwensarts enzovoorts, en wel om politieke redenen of vanwege ontstentenis van een arische grootmoeder. Ze zochten nu zo snel mogelijk een baantje. Ik was aanvankelijk verrast door de rijkdom aan symptomen na placebo, en ik meende dat de verklaring was dat een paar opgewonden collega’s de deelnemers allerlei idiote dingen hadden wijsgemaakt over de geheimen van gepotentieerde middelen en de toverachtige werking daarvan. Daardoor zouden de proefpersonen dan overgevoelig zijn geworden. Maar Rabe deed ook geneesmiddelproeven; daarbij kreeg de helft het middel en de andere helft alleen placebo. De uitkomsten daarvan lieten zien dat beide groepen ongeveer evenveel symptomen produceerden. Zo ging het ook bij Martini, bij Ferdinand Hoff en bij Pirtkien.

Ik weet niet, collega Unseld, of u veel gelezen heeft over geneesmiddelproeven. Wanneer u enkele jaren telkens maar weer dingen heeft nagelezen in ‘Allen’ [de encyclopedie van Timothy Allen], dan zult u weten dat veel middelen slechts berusten op de gegevens van een, twee of anders maar heel weinig proefpersonen. De proefpersonen hebben alles opgeschreven wat ze waargenomen hadden op de eerste, tweede, derde dag enzovoorts nadat ze het middel hadden ingenomen. Daar wordt dan het geneesmiddelbeeld op gebaseerd. Een verantwoordelijke homeopaat hoort rekening te houden met de resultaten na placebo alleen, dus de collega’s die nuchter en objectief blijven denken moeten dan toch wel sterk twijfelen aan de juistheid van de geneesmiddelbeelden (zie het hierboven aangestipte difteriemiddel). Natuurlijk ben ik ook beïnvloed door collega’s die monomaan waren overtuigd van de absolute juistheid van de homeopathie, zoals bijna al onze leraren dat waren. Bij u zal dat ook wel zo geweest zijn. Het was voor mij toch relatief moeilijk om me te bevrijden van al die opgedrongen illusies. Ik werd pas achterdochtig – tot mijn schande moet ik hier ‘pas’ schrijven – bij de geneesmiddelproef met Nux vomica C30. Ik had in flesje 1 tot en met 3 alleen placebo gedaan, maar vond bij alle drie rijkelijk placebo’s. Er werden meer dan 1000 symptomen opgeschreven door de 30 proefpersonen in de periode dat ze de placeboflesjes 1 tot en met 3 innamen. Daarmee was de nood aan de man voor de homeopathie. Immers, de andere collega’s die proeven deden hadden altijd – als ze al met placebo’s werkten – het middel al in het tweede flesje gedaan, en gewoon alles wat de proefpersonen opmerkten aangezien als werking van het middel. Als ze dan begonnen waren met placebo hadden ze dit voor hoogst wetenschappelijke en betrouwbare gegevens gehouden. Als ze de proef deden met een tot dusver onbekend middel, dan werden alle symptomen die na het placeboflesje optraden gebruikt voor de constructie van het geneesmiddelbeeld. In de moderne homeopathische Materia Medica’s vinden we tal van dergelijke nieuwe middelen. Tja, geachte collega Unseld, houdt u deze geneesmiddelbeelden voor ook maar enigszins zeker?

Nu had Julius Mezger niet alleen maar de aandacht van de RGA op zich gevestigd wegens de genezing van ‘alle’ basedowgevallen. Men wilde hem met voorrang onder handen nemen. (Denkt u toch eens, collega Unseld, wat voor ‘positiefs’ het voor de homeopathie zou opleveren als de heer Berndt [Dietrich Berndt, 1916-1985] samen met professor Lendle in Göttingen homeopathische onderzoeken gaat plegen? Zal het volgens u Berndt gelukken om zijn hersenspinsels te verifiëren, of wordt het net als bij Rabe een vernietigend fiasco? Wat heeft het bestuur van de Centrale Vereniging eigenlijk ondernomen om de heren Berndt, Zulla [Heinz Zulla, homeopaat en acupuncturist], von Petzinger [Karl von Petzinger, 1903-1996], Zinke [Joachim Zinke, 1909-1990] en vele anderen wat af te remmen in hun ongebreidelde spraakzaamheid?)

Welnu, toentertijd werden mij door de heren van de RGA telkens maar weer stukken voorgelezen uit de homeopathische literatuur. Daarin werd beweerd dat de universitaire farmacologie helemaal niets kan, terwijl de homeopaten met hun geneesmiddelproeven zogezegd de steen der wijzen bezaten, en zij de enigen waren die de werking van geneesmiddelen konden onderzoeken. Men zei mij dat als twee onbenoemde geneesmiddelen, zeg belladonna en digitalis, naar tien farmacologische instituten gestuurd zouden worden, en deze van de RGA de opdracht kregen deze middelen te onderzoeken en vast te stellen welke werking ze hadden, dan zou men beide stoffen aan alle farmacologische proeven onderwerpen en met alle methoden onderzoeken. Vervolgens zouden alle tien instituten met grote zekerheid tot de conclusie komen dat het ene een stof was die sprekend op belladonna leek, bijvoorbeeld op basis van proeven op geïsoleerde stukjes darmweefsel, terwijl de andere op grond van de hartproef van Starling tot de digitalisstoffen behoort. Omdat de homeopaten voortdurend beweren dat hun methode veel beter is dan de universitaire farmacologie – zonder dat Stiegele, Rabe enzovoorts daartegen protesteren – is het erg belangrijk dat de homeopathische methode op correctheid getoetst wordt. Men vroeg mij om mijn mening wat Mezger dan wel zou kunnen bereiken als men hem 100 flesjes (in verschillende potenties) zou geven met de vraag om door middel van geneesmiddelproeven vast te stellen welke middelen het zijn. Als wij hem dus 50 flesjes met middel A en 50 met middel B geven, beide door hem al beproefd in een geneesmiddelproef, en in de door hemzelf geteste potentie, en hem een geneesmiddelproef laten uitvoeren? Als wat de homeopaten zeggen ook maar voor een deel klopt, dan moet hij toch kunnen uitvinden dat het ene precies lijkt op het vroeger door hem geteste middel A en het andere middel op B? De geneesmiddelbeelden op grond van deze proef moeten toch precies overeenstemmen met wat hij eerder gevonden had? Zoiets zou wel heel wenselijk zijn. Of Mezger erin zou slagen, daar ben ik helaas niet helemaal van overtuigd. Als zo’n proef negatief uitvalt, dan moet men de desbetreffende nieuwe door Mezger beproefde en aan de homeopathische Materia Medica toegevoegde middelen als fantasieproducten classificeren, in elk geval totdat verdere geneesmiddelproeven het geneesmiddelbeeld van Mezger alsnog bevestigen. Welnu, dat waren de meningen van de heren. Helemaal ongelijk hebben ze gewoon niet.

Nu deed er zich bij mijn proeven met 200 artsen iets heel merkwaardigs voor. Af en toe kwamen er artsen deels tijdens en deels na de proef naar mij toe en zeiden dan: ‘Niet waar, ik heb toch middel zus en zo beproefd.’ Desgevraagd zeiden ze dan dat ze dit of dat symptoom bij zichzelf gemeend hadden te bespeuren en in het repertorium hadden opgezocht en onder de daar opgesomde middelen ook hadden zien staan wat ze net tegen mij genoemd hadden. Wel, het klopte nooit. Altijd hadden ze in werkelijkheid andere middelen gekregen. Ik werd achterdochtig toen een stijfhoofdige Beier die me al opgevallen was door zijn optreden tijdens de cursus, me op het eind zijn protocolschrift overhandigde en zeer beslist aangaf dat hij Bryonia had gekregen. Hij had namelijk een hele reeks Bryoniasymptomen gekregen. Toen ik dit ontkende werd hij zeer brutaal, en vond dat zijn Bryoniasymptomen niet voor tegenspraak vatbaar waren en als het geen Bryoniaproef geweest was, dan klopte er niets van de homeopathie. Ik keek zijn schrift door en aan het slot van zijn aantekeningen stond: ‘epicrise:’ met daarachter onder elkaar ongeveer 12 Bryoniasymptomen die hij tijdens de proef bij zichzelf had waargenomen, Vervolgens de slotsom: ‘Hieruit blijkt ontegenzeggelijk dat Bryonia de beproefde stof was.’ Punt! Ondertekening: Dr. Windestosser, Tuzing. [Karl Windstosser 1906-2000]

Welnu, in fles 1 en 2 zat placebo. In die tijd waren meerdere symptomen opgetreden die ook bij Bryonia horen, en daar waren er tijdens de inname van het middel – Digitalis als ik me goed herinner – nog een paar bijgekomen… Tja, collega Unseld, wat zou u daarvan zeggen als het nou eens een Bryoniaproef was geweest zonder placebofase?

Toen er later bij 30 artsen tijdens een Nux vomicaproef in fles 1, 2 en 3 alleen maar placebo was en Gisevius onder de placebosymptomen zijns inziens overduidelijke Nuxsymptomen zag, dacht ik weer aan de heer Windstosser, voegde uit meerdere protocolschriften de placebosymptomen van fles 1 tot 3 bij elkaar en viste naar Bryoniasymptomen. De vangst was zeer geslaagd!! Ook Staphysagriasymptomen – een middel waarvoor ik nooit relaties heb gevonden en dat ik bij mijn weten zelden of nooit heb toegepast – kon ik in een tevredenstellende hoeveelheid eruitvissen, ook Nuxsymptomen en wat dies meer zij. Men kan dus wanneer men 30 proefpersonen een maand lang placebo geeft, ongeveer 1000 symptomen verwachten. Men zou deze symptomen volgens het hahnemannse schema kunnen rangschikken, dus gevoelens, hoofd, gezicht, oren, mond enzovoorts allemaal netjes onder elkaar, en deze vervolgens aan deze en gene collega toezenden met de mededeling dat het om een Bryonia-, Nux- of andere proef gaat. Als men dan de collega verzoekt, zogezegd als neutrale waarnemer, om de resultaten van de ‘geneesmiddelproef’ door te nemen en de symptomen van het genoemde middel rood te onderstrepen, dan kan men erop rekenen dat de ‘neutrale controleur’ zo’n 20, 30 of nog meer symptomen rood onderstreept. Misschien stuurt hij wel een brief terug met felicitaties wegens de geslaagde geneesmiddelproef. Ik heb iets dergelijks gepland, maar door een zware maagbloeding in 1939 en de oorlog ben ik er niet meer toe gekomen om deze belangrijke test uit te voeren. Vroeger zijn er veel geneesmiddelproeven geweest waarbij de proefleider de naam van het middel kende, en bij het doorkijken van de uitkomsten van de proef de symptomen eruit viste die min of meer ten gunste van het beproefde middel spraken, en dan de proef betitelde als een succesvol bewijs van de correctheid van eerdere geneesmiddelbeelden. Zulke controleproeven kunnen dus allemaal min of meer in de prullenbak.

Nu was dus Holland in last! Ik besloot te overleggen met andere collega’s die aan geneesmiddelproeven deden, en kwam zo bij Mezger en Unseld. Toen ik te spreken kwam over de uitermate rijkelijke symptomen na placebo, werd Mezger agressief. Hij verklaarde meerdere malen in scherpe bewoordingen dat het toch ‘godsonmogelijk’ was dat er iets kon staan in de protocolschriften na inname van placebo. Ik voelde me behandeld alsof men mij voor een arme gek hield die aan het hallucineren is, of voor een fantast en leugenaar die onware beweringen doet om de homeopathie te schaden. Ik heb het gesprek toen afgebroken. Evengoed zijn placebo’s een probleem. Als de proefpersoon vermoedt, zoals indertijd in Stuttgart, dat men misschien met placebo begint, dan aarzelt hij gewoon bij het opschrijven van symptomen. Meent hij daarentegen dat hij een middel inneemt, dan schrijft hij er vlot op los. Ik ben het helemaal eens met uw uitlating die u deed bij uw bezoek aan Berlijn, dat als men veel over placebo schrijft, elke proefpersoon weet dat hij onder omstandigheden wel de hele proefperiode slechts een placebo inneemt, en dat hij ook wanneer hij echt een middel inneemt onder de veronderstelling dat het misschien een placebo is, feitelijk opgetreden symptomen psychisch ‘verdringt’ en dan niets opschrijft.

Men kan dit echter makkelijk vermijden als men in een geneesmiddelproef met pakweg 100 proefpersonen bijvoorbeeld circa 33 Platina, 33 Aralia racemosa en de overige 33 Sepia geeft. Als het waar is wat de homeopathie leert, moeten toch bij de Araliaproefpersonen voornamelijk Araliasymptomen in de protocolschriften staan, de Platinaproefpersonen moeten gewoon de typische Platinasymptomen tonen enzovoorts, en wel zo duidelijk dat iedereen dat kan inzien. Tenslotte hebben Hahnemann, Stapf, Hering, Hale en anderen ook niet altijd geweten wat voor symptomen er op zouden treden bij tot dusver onbeproefde geneesmiddelen. Zij hebben gewoon de geneesmiddelbeelden samengesteld uit de neergeschreven symptomen van de geneesmiddelproef, en dat zijn de geneesmiddelbeelden waarmee we heden ten dage nog steeds werken.

Op uw protest met betrekking tot een wetenschappelijke geneesmiddelproef door de heren in Stuttgart zou ik het volgende willen zeggen. Na mijn kort geschetste belevenissen in Stuttgart, en na alles wat ik tussen 1927 en 1930 gehoord heb van Meng, Leeser, Stiegele, Oswald Schlegel en anderen, en na alles wat ik had uitgevonden bij het bestuderen van de bronnen, was ik behoorlijk gevoelig geworden op het punt van geneesmiddelproeven, omdat die niet bepaald een hoogtepunt van de homeopathie zijn. Ik herinner me zeer duidelijk dat Julius Mezger een keer een voordracht hield over geneesmiddelproeven en de techniek daarvan, en dat hij het had over een vóórwaarneming. Hij zei dan tegen de proefpersonen: wij gaan uw suggestibiliteit controleren, dus u moet nu uw gebruikelijke lichamelijke symptomen nauwkeurig waarnemen, en u krijgt een schijnmiddel dat u in precies hetzelfde ritme moet innemen als later, wanneer u het echte middel krijgt… Ik ben er absoluut zeker van dat Mezger iets dergelijks zei in zijn voordracht… Het heeft geen zin daarover ruzie te maken, want Mezger zal zeker zeggen dat ik hem verkeerd begrepen heb, of dat hij zich in het vuur van zijn toespraak verkeerd heeft uitgedrukt. Ik kan de desbetreffende passage veranderen. Voor mij is het zeker dat ik telkens weer kon vaststellen dat de studenten in Stuttgart voordat ze zelf aan een geneesmiddelproef deelnamen, al iets gehoord hadden over placebo’s. Ook toonaangevende leken zoals mijn oorlogskameraad A. Reichert van de Hahnemannia in de Blumenstrasse, die ik sinds ik uit Stuttgart ben weggegaan nog vaak heb bezocht, en ook de heer Immanuel Wolf wisten ervan. Ik kan niet zeggen of het in het maandblad van de Hahnemannia of bij voordrachten in de lekenverenigingen is geweest dat de een of andere collega al dan niet uitvoerig is ingegaan op de moderne wetenschappelijke proeven met placebocontroles.

Het belangrijkste is toch dat bij mijn Nuxproef in sommige gevallen een vóórwaarneming plaatsvond waarbij de mensen wisten dat ze een placebo innamen. Dan werden geen symptomen waargenomen. Maar als dan hetzelfde placebo werd gegeven met de mededeling dat nu de echte proef begint, dan kwamen er zoveel symptomen dat men bij 30 proefpersonen in 3 weken na inname van placebo ongeveer 1000 placebosymptomen kon vergaren.

Daarop scheen het me wenselijk dat de publieke opinie onder homeopathische artsen zich op de een of andere manier bezighield met het hier opgedoken probleem. Een publicatie was onmogelijk. Gescher, [Julius Gescher] de uitgever van het Deutsche Zeitschrift [für Homöopathie] meende dat dit eigenlijk in strijd was met de homeopathische ideologie. Men kon niets publiceren dat uiteindelijk het beeld vernietigt dat de homeopaten van hun leer hebben. Assmann (A.H.Z.) [Erich Assmann, 1882-1961], uitgever van de Allgemeine Homöopathische Zeitung was een van de heel zeldzame collega’s die zoveel inzicht hadden dat ze een vermoeden hadden dat de geneesmiddelbeelden dubieus waren. Hij vond: ‘Waarom wilt u zich onmogelijk maken bij de collega’s? Rabe heeft al moeten toegeven dat het beeld dat hij van de theorie en praktijk van de homeopathie heeft, eigenlijk fictie is. Hij gaat komend wintersemester Sepia beproeven, en Taube gaat zijn Apisproef doen. We zullen wel zien wat eruit komt. Dan komen in 1949 Wapler-Schoeler en Stiegele-Unseld en misschien Kiel ook met Wassily en Hamburg met Schilsky. Dan zullen wel ettelijke wensbeelden in duigen vallen. Wacht u dus rustig met uw publicaties…’ Eigenlijk was dit een heel verstandig advies, per slot van rekening heb ik via Kötschau vaak gehoord hoezeer de Berlijnse collega’s bij Conti tegen mij intrigeerden en met wat voor beweringen. Daarom ben ik ook rond 1936 uit de Centrale Vereniging gestapt. Maar toen de zaak met Rabe misliep, werd men bang dat ik, die me zogezegd in de schakelcentrale van de controleproeven bevond, allerlei tips kon geven om vooraanstaande homeopaten aan te trekken en ze dan zodanige opgaven te dicteren dat zij zichzelf en de homeopathie te schande zouden maken. Ik werd uitgenodigd voor een bespreking in het kantoor van de Berlijnse Vereniging, en mij werd verteld dat in ‘deze moeilijke uren, waarin het erop of eronder is voor de homeopathie’ ik me niet afzijdig mocht houden… Ik heb me toen laten ompraten en ben weer lid geworden. Of dat verstandig van mij was, weet ik tot op heden niet.

Zo is het gekomen, mijnheer Unseld, dat u tot op heden daar niets over in de literatuur hebt kunnen vinden. Ook zuiver toxicologisch samengestelde geneesmiddelbeelden werden door de collega’s afgewezen als niet-homeopathisch. Ten slotte lukte het me eenmaal – éénmaal!! – om een soort compromisformule te publiceren. Dat was een geneesmiddelbeeld van Mercurius, dat wijd en zijd misnoegen verwekte. Tegenwoordig zou ik een dergelijk beeld niet meer goedkeuren en het aanzienlijk inkorten om alle dubieuze punten te elimineren. (Allgemeine Homöopathische Zeitung, Bd. 188, 1940, no. 1)

Op het therapeutische gedeelte wil ik niet verder ingaan. Stiegele beweerde altijd dat de homeopathische behandeling van longontsteking het hoogtepunt van de homeopathie was, en dat hij nog nooit (nooit!!) in zijn praktijk een geval verloren had. Omdat wij toen helemaal geen longontstekingen in het ziekenhuis hadden, en alle bedden vol lagen met chronische gevallen, zodat er werkelijk nooit een bed vrij was voor acute gevallen, hebben wij, de toenmalige ASSISTENTEN ONS INGESPANNEN om altijd een bed in reserve te houden dat kon worden neergezet als dat nodig was voor een geval van longontsteking. Verder werden collega’s uit Stuttgart gestimuleerd om ons ook longontstekingen te zenden. Zo hebben we alles bij elkaar 13 longontstekingen gekregen, van wie er 7 (55%) stierven. En daar waren helemaal geen zware gevallen bij! Al die oude mensen uit de bejaardenhuizen, die wegens emfyseem, chronische bronchitis, hartfalen, bloeddrukziekte of chronische nierontsteking allang door de ziekenfondsen waren afgevoerd, en die op kosten van de sociale dienst in de stadsziekenhuizen lagen, die kwamen toch helemaal niet in het Homeopathisch Ziekenhuis. Wij kregen alleen verzekerde patiënten, dus mensen die gezond genoeg waren om een beroep uit te oefenen en dus de verzekeringspremie te betalen, en die dan opeens vanuit een toestand van blakende gezondheid een longontsteking kregen. Dat was dus een zeer gunstig samengestelde ziekenpopulatie. Zulke sterftecijfers had ik tot dan toe nog nooit meegemaakt. Op andere gebieden was het net zo. Als de toetsingen niet door de oorlog gestopt waren, dan ben ik bang dat er in Stuttgart net zo’n ramp gebeurd zou zijn als Rabe was overkomen.

En hoe moet het dan nu verder gaan? Denkt u toch eens, collega Unseld, wat er zal gebeuren als in Göttingen de heer Berndt wordt aangetrokken voor geneesmiddelproeven betreffende wat hij met luider stemme beweert? Zal hij dan ‘het initiatief nemen en de zege der homeopathie garanderen?’. En hoe zal het de heren Zulla, Zinke, Zimmerman en von Keller [Georg von Keller 1919-2003] enzovoorts vergaan? Tot nu toe mochten de heren erop los zwammen zo veel als ze wilden. Nergens heb ik gelezen dat de leiding van de homeopathische artsen stelling nam!

U vindt dat mijn bericht noodzakelijkerwijs subjectief is… Te uwer geruststelling kan ik u mededelen dat al eerder Schoeler mijn artikel heeft ontvangen, dat de bewerker van het materiaal een doorslag heeft gekregen, er kennis van heeft genomen, en er uitvoerig met mij over heeft gesproken. Men is er natuurlijk zeer in geïnteresseerd hoe de homeopaten op een objectief rapport zullen reageren. Oorspronkelijk was hoofdstuk 1 van mijn artikel al 50 pagina’s [dus ruim zes maal zo lang]. Omdat Schoeler na ontvangst lange tijd niets van zich liet horen, heb ik hem, dom genoeg, opgebeld. Dus nu heb ik over zijn mening alleen de herinnering aan een telefoongesprek en geen schriftelijke bewijsstukken. Hij zei dat alles correct was en dat de situatie in de homeopathie gewoon feitelijk zo was als ik het uitvoerig heb geschilderd. Maar, zoiets – dus de waarheid over hoe het feitelijk in de homeopathie gesteld is – zou men niet bekend kunnen maken aan de homeopathische artsen of in een homeopathisch tijdschrift afdrukken. Dus, in de beste homeopathische traditie, iedereen kan de grootste onzin verkondigen en dan wordt het afgedrukt, maar wijst iemand erop hoe het staat met de feitelijke grondslagen van een belangrijk difteriemiddel, dan wordt het niet afgedrukt, maar wordt de grondslagenonderzoeker bedreigd met ontslag op staande voet…!

Mijn huidige uiteenzetting is maar een vijfde van de oorspronkelijk geplande versie, en alle pijnlijke zaken zijn eruit weggelaten. Schoeler heeft beloofd het stuk te drukken, maar zich toen bedacht, zoals ik uit uw beide brieven begrijp. En, geachte collega, u heeft ook- voor zover ik tussen de regels in uw brieven door lees- dezelfde bezwaren tegen het plan de homeopathische artsen vertrouwd te maken met bepaalde zaken omtrent de homeopathie. Het voornaamste obstakel zal echter de uitgever zijn, die zakelijk verlies zal lijden als de homeopathische artsen achterdochtig beginnen te worden. Dan blijft hij met zijn exemplaren van het Repertorium van Kent zitten. Desondanks meende ik toch enige verplichtingen te hebben jegens de homeopathische artsen, en heb dus een poging ondernomen om het artikel aan te bieden aan de homeopaten, hoewel een dergelijke poging van tevoren al niet bijzonder veel kans van slagen had.

Eigenlijk kwam de stimulus van een heel andere kant. Al gedurende de oorlog hebben de gemachtigden van de RGA mij gevraagd om van homeopathisch standpunt te berichten over de toetsingen tot dan toe. Na de oorlog kwam professor Siebert met hetzelfde verzoek, vervolgens de Rijksgezondheidsdienst in Berlijn, welks president van na de oorlog me daar vaak aan herinnerde. Vervolgens kwam het farmacologische instituut van de universiteit, dat de uitslagen van de proeven uit de eerste hand gekregen had via de hoofdassistent Kuschinsky (nu gewoon hoogleraar in Mainz). Ik kon altijd gebrek aan tijd voorwenden, ook toen de Berlijnse afdeling van de BGA uiteenzettingen van mijn hand wenste. Ik heb vele jaren in het comité voor gezondheidsbeleid van de Berlijnse volksvertegenwoordiging gezeten, en in die kwaliteit ontmoette ik elke twee weken een van de professoren van BGA. Die kende mij van mijn vroegere activiteiten, omdat ik vaak op de afdeling farmacologie van de dienst kwam, voor homeopathische aangelegenheden. Nu, in de alweer zes jaar die ik als gepensioneerde doorbreng, kan ik geen gebrek aan tijd meer voorwenden. Het wordt ook langzamerhand vervelend steeds maar weer te worden aangemaand. Ten slotte is er ook nog een lange tijdrovende briefwisseling met professor Curtius geweest, die zich geërgerd had aan de constitutietypen van Beuchelt [Hellmuth Beuchelt, ca. 1906-?] en die mij bombardeerde met pijnlijke vragen hieromtrent.

In de zes jaar na mijn pensionering heb ik ongeveer de helft van elke morgen ofwel aan mijn bureau gezeten ofwel heen en weer gelopen en nagedacht had over hoe ik toch het best dit stuk kon schrijven zonder de homeopaten al te zeer te kwetsen, en ook om voor alles een verontschuldiging gereed te hebben. Oorspronkelijk waren de hoofdstukken en de aantekeningen vooraf zo omvangrijk dat het artikel misschien wel 250 tot 300 pagina’s omvat zou hebben. Dan zou ik een uitputtende behandeling van alles hebben gegeven. Toen kwamen de twijfels. Wie zou dat willen drukken? Ik heb toen hoofdstuk 1 van ongeveer 50 pagina’s teruggebracht tot 40, daarna tot 30, toen tot 15 en ten slotte tot 9 pagina’s [in de getikte versie is het iets meer dan 7 pagina’s], en kwam voor het geheel op iets meer dan 40 pagina’s voor alle 5 hoofdstukken samen.

Ik heb vanwege uw brief definitief besloten het artikel terug te trekken, en ik wil u verzoeken dit mede te delen aan de heer Schoeler, zodat hij mij de doorslag terugstuurt. Ik heb hier nog verscheidene versies van mijn uiteenzettingen. Ik zal dan zien welke daarvan ik naar de farmacologische afdeling van het BGA stuur. Of die dan in de archieven zal beschimmelen, of dat ze op de een of andere manier gepubliceerd wordt, laat ik aan de heren over die mij om een dergelijke uiteenzetting gevraagd hebben.

U schrijft dat u niet graag zou zien dat onze ’tegenstanders’ de versie die voor de Allgemeine Homöopathische Zeitung bestemd is, gaan rondsturen. Tja, collega Unseld, gelooft u dan dat de diverse farmacologen van de oudere jaargangen geen grondige kennis hebben van dit volgens mij het homeopathische fiasco? Toen wij in Berlijn nog midden in de proeven zaten, wisten de oogheelkundigen in Rostock bijvoorbeeld al van de volslagen negatieve uitkomst. Later had ik de farmacoloog Girndt uit Düsseldorf gedurende langere tijd in behandeling. Hij was op de hoogte van alle details. Natuurlijk is een toetsing van de homeopathie door een vooraanstaande homeopaat en onder toezicht van een farmacoloog en een internist een dermate baanbrekende gebeurtenis – slechts te vergelijken met het onderzoek van Andral samen met een homeopathische collega in zijn kliniek te Parijs – dat het op farmacologen- en internistencongressen van mond tot mond ging. Men wacht nog op het bekendmaken van het materiaal, waaraan al jaren gewerkt wordt.

De toxicoloog Bonsmann, vroeger internist in Mainz met goede betrekkingen met de oude Schier [Josef Schier uit Mainz] was pro-homeopathie. Hij was docent aan zowel het farmacologische instituut in Leipzig als in Berlijn, maar had zijn universitaire loopbaan opgegeven om de homeopathie te onderzoeken. Die interesseerde hem. Maar alles wat hij meemaakte doordat hij de zittingen van de Berlijnse en de Centrale Vereniging bijwoonde, door stages, door bronnenstudies en met de heer Rabe en alle andere zich drukkende heren zoals Gisevius, Gescher en anderen, dat alles had hem een heel negatieve indruk gegeven. Net zo ging het met de oorspronkelijk positief ingestelde professor Siebert. Ik had zijn vrouw bevrijd van een hardnekkige slapeloosheid, en hij zag dat aan voor een ‘krachtig bewijs’ van de homeopathie, maar… tja, mijnheer Unseld het ziet er niet zo mooi uit als men de bronnen van de geneesmiddelproeven nagaat en dan de gepubliceerde berichten en de voordrachten met die grotere kennis kritisch doorkijkt.

Welnu, ik heb nu al 18 pagina’s geschreven en ik moet er een punt achter zetten. Nu ik wat u schrijft nog eens doorlees, zie ik een paar punten die tot dusver nog niet beschouwd zijn. U schrijft dat er een geneesmiddelproef moet komen zonder kennis van het beproefde middel. Helemaal mijn idee. Maar was dat altijd zo? Bij de controleproeven in Wenen wisten de proefpersonen toen voor een deel om welk middel het ging. Toen ik in 1939 ziek was door mijn maagbloeding, werd een andere, gezonde collega aangewezen om de geneesmiddelproef uit te voeren. Plotseling kwam een van de deelnemers aan de cursus, iemand die u ook heel goed kent, namelijk dr. Konrad Potranz, thans homeopathisch arts in Württemberg, heel opgewonden naar me toe, om te zeggen dat alle cursusdeelnemers wisten dat het middel Lachesis was. Op dat ogenblik was ik nog herstellende met een Hb van 65%-70%, en u kunt wel begrijpen dat ik mij er niet verder om bekommerd heb. later hoorde ik dat het middel inderdaad Lachesis was geweest. De proefleider was ook verrast dat de proefpersonen het wisten. Welnu, er zijn altijd manieren. Misschien ook in Stuttgart.

Dan vindt u het pijnlijk dat ook Stiegele en Rabe enzovoorts bij naam genoemd worden. U heeft gelijk dat dit een probleem is. Daar zit ik ook al jaren mee. Als ik zeg ‘een homeopathische arts die aangetrokken is, Dr. X’, dan zegt natuurlijk iedereen ‘nou ja, de een of andere halfhomeopaat, als wij, de heren Petzinger, Zulla, Zinke, Berndt, erbij waren gehaald, dan had de homeopathie roemrijk gewonnen’… dat zou ongetwijfeld gezegd worden … met groot kabaal en woordenkraam. U als voorzitter van de Centrale Vereniging kent toch uw pappenheimers het beste! Als ik alleen de titel geef, bijvoorbeeld (vice-)voorzitter van de Centrale Vereniging, of geneesheer-directeur van het Homeopathische Ziekenhuis, het latere Robert-Bosch-Ziekenhuis, enzovoorts, dan moet men er rekening mee houden dat het Robert-Bosch een verklaring namens de huidige chef-artsen uitgeeft die stelt dan men in 1955/56 objectieve artsen in dienst genomen heeft en dat de voormalige geneesheer-directeur is ontslagen wegens omstandigheden. Ook geen ideale oplossing! Tenslotte is het voor een correcte beoordeling van de totale homeopathische situatie toch belangrijk dat toonaangevende personen zoals Rabe, Stiegele, Leeser enzovoorts in illusies waren vastgelopen en dat ze de eenvoudigste dingen, zie Apis of het genoemde difteriemiddel, gewoonweg niet konden inzien. Zoals Rabe na zijn fiasco me vertelde in meerdere lange gesprekken die hij graag met mij voerde, voor hen is de homeopathie gewoon een ‘overgewaardeerd idee’, dat ze voor absoluut waar houden. Elke aanwijzing dat dit of dat onmogelijk is, zien zij aan voor een ‘zonde tegen de Heilige Geest van de homeopathie’. Rabe heeft hier een paar heel verstandige dingen gezegd. Misschien verwerk ik het nog in mijn rapport, want daardoor komt Rabe in een veel beter daglicht te staan.

Het is nu al een klein artikel geworden. Maar men moet gewoon sommige dingen toch in detail bespreken om misverstanden te vermijden.

Met de beste groeten

Uw

Fritz Donner

 

Fritz Donner

Gerelateerde artikelen

artikelen - 27 juni 2022

Buitenlandrubriek met o.a.: Amerikaanse patiënten met Long Covid omarmen alternatieve therapieën / Vitamine-supplementen werken niet.

artikelen - 11 mei 2022

Buitenlandrubriek met o.a.: CfI klaagt homeopathieproducent Boiron aan / Belgische vrouw aangerand in hotel tijdens acupunctuurbehandeling.

artikelen - 24 maart 2022

Buitenlandrubriek met o.a.: Resultaten van onderzoek naar homeopathische behandelingen vaak bevooroordeeld.