Door: C.N.M. Renckens | Geplaatst: 29 mei 2001

Beknopte tetralogie voor Steiner

Actieblad september 1999, jaargang 110 nr.4.


Met de regelmaat en de routine waarmee de tramconducteur op zijn bel trapt en waarmee W.F.Hermans zijn geliefde ‘domoor’ prof. Hans Gomperts onder vuur nam, met dergelijke regelmaat worden ‘quack-watchers’ geconfronteerd met de curiosa van de antroposofie en ontkomen zij er niet aan deze periodiek onder de loep te nemen. In de hieronder volgende ‘update’ in vier bedrijven zal de Rotterdamse antroposofisch arts dr. H.S. Verbrugh bij wijze van uitzondering geen enkele rol spelen, want deze verspeelde zijn dominante positie in het debat door een ingezonden brief in NRC Handelsblad van oktober 1998. In die brief wees hij – enkele weken nadat Roel van Duijn had onthuld hoe zijn ex-vrouw om het leven kwam na een makrobiotische behandeling van haar baarmoederhalskanker – de lezers erop dat het ‘pluis-niet-pluis-gevoel’ een erkende medisch-filosofische term is en dat er ‘aanwijzingen bestaan, dat een groot deel van de alternatieve genezers ook iets van deze intuïtie heeft ontwikkeld, op geleide waarvan zij alleen “behandelen” wat “pluis” is.’ Aldus Hugo, die we dus even niet meer al te serieus hoeven te nemen.

Van ondergeschikte betekenis is ook dat de firma Weleda er 3 augustus 1999 in grote advertenties op wees dat hun Calendula babypoeder in voor baby levensgevaarlijke verpakkingen te koop was aangeboden. De bodem van de Calendula-busjes kan loslaten, waarna baby het fijne natuurpoeder kan inademen met ‘ernstige gezondheidsproblemen als gevolg’. Bezitters van de kartonnen busjes kunnen hun geld terugkrijgen. Piet Borst zei in een interview over medische ethiek in Nederland eens, dat daarin de ‘rot van de antroposofie’ zat. Zelf denk ik dat de medische ethiek in ons land vooral verziekt is doordat ex-dominees en theologen daarin al te prominent aanwezig zijn, maar hoe dat ook zij: ere, wie ere toekomt! Die rare antroposofen van Weleda blijken toch maar mooi over meer ethiek te beschikken dan een uitgeverij als Bohn Stafleu Van Loghum, die ruim anderhalf jaar na het bekend worden van de onjuistheden in Houtsmullers boekjes deze onbekommerd en ongewijzigd is blijven verspreiden en – in plaats van ze uit de handel te nemen – niet verder is gegaan dan een korting van tien gulden op de aankoopsprijs (vanaf maart 1999). De lezer weet echter niet waarom hij dat voordeeltje geniet. Maar nu dan enkele actuele Steineriana!

I. Heropening antroposofische kliniek?
In het Actieblad van april 1994 beschreven wij hoe op 15 november 1993 het doek viel voor de Zeylmans van Emmichhovenkliniek in Bilthoven. De toenmalige staatssecretaris zou aan geneesheer-directeur Spaaij hebben toegezegd, dat voortzetting van de antroposofische ziekenhuiszorg zou worden bevorderd. Mooie woorden, die tot niets verplichtten en anno 1999 hun waarde wel definitief verloren leken te hebben. Immers in een tijd van financiële krapte en straffe doelmatigheidseisen van de zijde van de overheid kan er toch geen minister nog behoefte hebben aan een ziekenhuis gespecialiseerd in nutteloze behandelingen (Er komt een man bij de dokter en deze zegt: ‘Goed, dat u naar mij bent gekomen, want ik ben expert op het gebied van overbodige behandelingen’.) De werkelijkheid is echter anders. Terwijl in heel Nederland ziekenhuisbedden worden gesloten, vooral op aandringen van de centrale overheid, die beddenreductie onveranderlijk als voorwaarde stelt bij bijvoorbeeld nieuwbouwactiviteit, worden in de luwte hardnekkige pogingen gedaan om de opgeheven antroposofische bedden toch onder te brengen in een echt ziekenhuis. Na de snelle weigering van het Zeister Lorentzziekenhuis heeft het ministerie zijn oog laten vallen op een klein ziekenhuis in een wat kwetsbare positie: het Hofpoortziekenhuis te Woerden. In het Utrechts Nieuwsblad van 8 mei 1998 stond te lezen, dat het ministerie aan het Hofpoortziekenhuis toestemming had gegeven om door te gaan met het voorbereiden van een aparte antroposofische kliniek, die verbonden zou zijn met het Hofpoortziekenhuis. Volgens het ministerie zou er ‘behoefte bestaan’ aan een dergelijke voorziening, die een landelijke uitstraling zou krijgen. Naast een polikliniek zouden er dertig opnamebedden moeten komen, waarbij interne en kindergeneeskunde de eerste specialismen zouden worden. De volgende stap van het Hofpoortziekenhuis zou zijn toestemming van de Ziekenfondsraad te verkrijgen: zonder dergelijke toestemming zouden de curieuze therapieën immers niet vergoed kunnen worden.

Zoals verwacht kon worden voelde de medische staf, ondanks het enthousiasme van de ziekenhuisdirectie, weinig voor de komst van de Steiner-adepten. In juli 1999 was het heftige interne debat in de kliniek nog onbeslist: directie, ondernemingsraad, patiëntenplatform en een minderheid van de medische staf zijn dan accoord. De meerderheid van de medische staf, die geen kwakzalverij in haar midden wenst, houdt vooralsnog stand, maar hoe lang dat zal duren, dat is de vraag. Het ministerie zwaait met de geldbuidel (er is acht miljoen gulden beschikbaar!), zodat het antroposofische deel van het ziekenhuis – als concessie aan de reguliere meerderheid van de staf – duidelijk afzonderlijk herkenbaar zal zijn van het gewone ziekenhuis. Zelfs die concessie was juli 1999 echter niet in staat de medische staf te vermurwen: hulde! Ziekenhuisapotheker Fokkens, die vreesde tot afleveren van Iscador en Weleda-korrels te worden gedwongen, heeft naar aanleiding van de affaire inmiddels een beter heenkomen gezocht: hij nam ontslag. Wordt vervolgd.

II. Antroposofische visie in plaats van NHG-standaard: tuchtrechtelijke berisping.
De moeder wendde zich met haar vierjarig kind tot de antroposofische huisarts ivm oorontsteking en bronchitis. Deze schrijft Weleda-korrels (tegen oorontsteking en ter verhoging van de weerstand) voor. Het kind knapt niet op en een waarnemer schrijft enkele dagen later antibiotica voor, die het kind echter uitspuugt en door diarree al evenmin goed kan opnemen. De antroposofische huisarts wil ook na deze gang van zaken, ondanks aandringen van de ongeruste moeder, geen verder onderzoek doen en als het kind al veertien dagen koorts heeft, gaat de moeder eigener beweging naar het ziekenhuis, waarna het kind snel verbetert. Het kind blijkt daarna echter volledig doof te zijn geworden aan het rechteroor. Verwijzing naar een KNO-arts wordt dan opnieuw geweigerd door de antroposofisch arts.

De moeder legt de zaak voor aan de tuchtrechter. Het regionaal tuchtcollege berispte de arts wegens het afwijken van de NHG-standaard en het laten prevaleren van zijn antroposofische visie, zonder dat hij die keuze kon verantwoorden en zonder de moeder, die dacht dat antroposofische geneeskunst naast en niet in plaats van gewone geneeskunde kwam, daarvan in kennis te stellen. De arts voerde ter verdediging aan, dat het kind eerder goed had gereageerd op antroposofische medicatie en dat bij antroposofische middelen de respons vaak pas na drie dagen komt. Dat het kind de voorgeschreven antibiotica niet kon binnenhouden, was volgens de arts niet toevallig en werd door hem, net als de middenoorontsteking zelf, toegeschreven aan spanningen in het gezin en de voor het kind bedreigende leefsituatie.

Het Centraal tuchtcollege, dat de uitspraak van het regionale tuchtcollege in februari 1997 bekrachtigde, wenste in zijn beschouwing niet in te gaan op de vraag of antroposofie in theorie en in het algemeen van heilzame betekenis kan zijn voor de gezondheidszorg. Men beperkte zich tot de uitspraak dat de arts geen zwaarwegende redenen kon geven, waarom hij van de standaard meende te mogen afwijken.

De uitspraak van het tuchtcollege kan gunstige gevolgen hebben bij de tuchtrechtelijke aanpak van andere alternatieve artsen en moet worden toegejuicht. Voor geïnteresseerden zij verwezen naar het volledige verslag in het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht Nr 5/1997, pag.294-7. In datzelfde nummer schrijft Meulemans in een commentaar (p.261), dat de tuchtrechter de ruimte voor het toepassen van alternatieve behandelwijzen met dit vonnis aanzienlijk heeft beperkt.

III. Wetenschap en antroposofie: ‘strange bedfellows’.
In het party- en congrescentrum Dekker te Zoetermeer vond op woensdag 30 september 1998 een symposium plaats, georganiseerd door Nehoma, de koepel van homeopathische en antroposofische fabrikanten en importeurs. De inschrijfprijs was schappelijk, fl 175,- inclusief lunch, en de titel luidde: Geneeskunde op de drempel? Blijkens de folder staat de zogenaamde complementaire geneeskunde precies in tussen ‘regulier’ en ‘alternatief’. Gezien de groeiende diversiteit aan therapierichtingen wordt het vraagstuk van de ‘wetenschappelijkheid’ steeds actueler en aan dat discussiepunt was het symposium gewijd. Er waren drie sprekers uit Duitsland en drie Nederlanders. Van de Duitse sprekers was Doktor Helmut Kiene de bekendste. Hij is auteur van meerdere methodologisch georiënteerde boekjes, waarin hij vooral de tekortkomingen van het gerandomiseerde dubbelblinde onderzoek benadrukt en daarvoor in de plaats voor individualisering bij de therapiekeuze, intuïtie en N=1 onderzoek (de statistiek van één geval, dus) aanbeveelt. Hij geniet grote populariteit in antroposofische kringen, die immers aanzienlijke problemen hebben om hun op ‘Wesensschau’ gebaseerde geneesmiddelkeuze te verdedigen. Waarom in het ene geval kwikzilver en lood, terwijl bij de volgende klager een etherische bereiding van Arnica wordt verkozen?

Naast de medisch historicus Van Lieburg, waren de twee andere Nederlanders min of meer verrassend: Knipschild, een oude bekende voor onze lezers, en dr. J.H. Mulder, beleidsambtenaar op VWS en niet-praktiserend internist. Knipschild, sacrosanct bij de homeopaten wegens zijn verwarrende uitspraken in het BMJ-artikel van jaren geleden, zal ongetwijfeld weer hebben getamboereerd op het feit, dat ook de reguliere geneeskunde profiteert van placebo-effecten, dat ook daar niet alles evidence-based is en dat deze zich derhalve maar weinig onderscheidt van de alternatieve geneeskunde. Volgens het symposiumverslag in Weleda Berichten van winter 1998 toonde Knipschild ook enige openheid voor de nieuwe methode van Kiene. Curieus was de aanwezigheid van de invloedrijke Mulder, die zich ter gelegenheid van het symposium ook uitgebreid liet interviewen door het NEHOMA Journaal: foto natuurlijk op de cover. Ook hij nam afstand van die hinderlijke dubbelblinde methode: ‘er zijn meer goede methoden voor effectiviteitsmeting van medische behandelingen’. Hij gaf NEHOMA in overweging om bij NWO subsidie te vragen en met hen samen meer congressen te organiseren. Strategische allianties, daar komt het op aan, aldus Mulder. De lezers van het NEHOMA Journaal zullen vervolgens wel helemaal épri van Mulder zijn geworden, toen hij vermeldde, dat hij voor het symposium de reünie van zijn Vrije School had moeten laten vallen. Nu begrijpen wij ook Mulder’s haat-liefde verhouding met de alternatieve geneeskunde: zo ging hij al twintig jaar geleden met graagte in debat met de socioloog Aakster, een man die bij veel reguliere medici vooral afschuw en ergernis opriep. En zou hij het soms ook zijn, die op VWS de herinnering aan die normaliter reeds lang afgeschreven antroposofische bedjes warm houdt? Wie het weet, mag het zeggen, maar in de symposiumfolder stond dat de overheid vrijwel steeds achter de reguliere wetenschap aanloopt: op het ministerie van VWS zou dat nog wel eens best mee kunnen vallen!

IV. Hoe wordt iemand antroposoof?
Met de paplepel ingegoten, dat kun je wel zeggen van de aan het Zoetermeerse Therapeuticum Aurum verbonden huisarts Marco Ephraïm (39). In dat centrum werken drie antroposofische artsen, vier doktersassistenten, een verloskundige en maar liefst twaalf therapeuten. Marco werd in een dubbel-interview met Arts en Auto (1999, 20) geportretteerd, samen met zijn vader Eef (72). Ook deze was al antroposofisch arts en ontwikkelde zich later tot psychotherapeut. Eef schrijft zijn interesse voor de antroposofie toe aan zijn jeugd in Indië. Voor de baboes, in wiens armen hij opgroeide, was de wereld van het onzichtbare even reëel of zelfs nog reëler dan de zichtbare. Zijn vader bracht hem ook veel liefde en respect voor de natuur bij. De jonge Marco legt de essentie van de antroposofie nog eens goed uit: ‘Ziekte is niet alleen een last, maar ook een kans om iets nieuws te ontdekken. Als je voor de vierde keer een keelontsteking krijgt, vraag je dan eens af wat de boodschap van die kwaal is: heb ik last van mijn keel of heeft mijn keel last van mij.’ Verder gelooft de antroposoof in een ziel of een ‘ik’, die na de dood verhuist naar een ander lichaam. Bij de geneesmiddelkeuze kent men geen standaarden, maar er wordt geïndividualiseerd: de constitutie van de patiënt speelt daarbij een centrale rol. Is iemand dik of dun, verkrampt, verhit, kouwelijk, uitvloeiend of geremd? Vader Eef gaf in zijn huisartsentijd maar heel weinig medicijnen en praatte vooral veel met zijn patiënten. Deze zeiden na het consult dan vaak: ‘Dank u wel, dominee’. Hij werd pas na jaren opgenomen in een waarneemgroep en dat lijkt ons nog vrij snel, als men zijn uitspraken leest. Ook nog een geluk, dat Marco en sterk kind was, want ingeënt tegen kinderziekten werd hij nauwelijks en difterie, mazelen en kinkhoest kunnen natuurlijk wel dodelijk zijn. Maar, nee: via de kennelijk op Steiners kleurenleer gebaseerde rose bril observeerde vader Eef, dat zoon Marco na de mazelen ‘de wereld opener en communicatiever tegemoet trad’. Merkwaardig hoe kinderen zich precies volgens de opvattingen van hun ouders kunnen gedragen.

In het Zoetermeerse therapeuticum dat nu achttien jaar bestaat en dat sterk is gegroeid is men nu toe aan nieuwe huisvesting, officiële erkenning en subsidie. Ook wordt er een opvolger gezocht voor een vertrekkend arts en dat valt niet mee, er zijn in Nederland ‘maar’ 240 antroposofische artsen. Aldus Marco Ephraïm. Misschien kan VWS hulp bieden: strategische allianties, zo heette dat toch?

Update april 2009

Het aantal antroposofische artsen en tandartsen in Nederland bedraagt nog naar schatting 140, waarvan er 93 lid zijn van de NVAA.

Nieuwsbrief

De Digitale Nieuwsbrief van de VtdK houdt u regelmatig op de hoogte van nieuwe artikelen op deze site.

 

C.N.M. Renckens

Profiel: (1946) Hij studeerde geneeskunde aan de RUG en behaalde het artsdiploma in 1971. Na werkzaam te zijn geweest als tropenarts in Zambia volgde zijn specialisatie tot vrouwenarts. In die kwaliteit is hij sinds 1980 verbonden aan het Westfries Gasthuis te Hoorn. Sinds 1988 bekleedt hij het voorzitterschap van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Hij is auteur van vele publikaties op het gebied van kwakzalverij en alternatieve geneeswijzen, zowel in de lekenpers als in de professionele pers. Van zijn hand verschenen vier boeken: ‘Hedendaagse kwakzalverij’ (1992), ‘Kwakzalvers op kaliloog’ (2000), ‘Genezen is het woord niet. Biografische schetsen van de twintigste meest notoire genezers van de twintigste eeuw’ (2001) en zijn in handelseditie verschenen dissertatie ’Dwaalwegen in de geneeskunde. Over alternatieve geneeswijzen, modeziekten en kwakzalverij’ (2004). In 2006 werd hij wegens zijn verdiensten voor de kwakzalverijbestrijding benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Gerelateerde artikelen

tijdschrift - 14 augustus 2021

Over Désanne van Brederode die in #nietmijnantroposofie opvoert dat corona antroposofen in extreemrechtse armen drijft.

page - 14 augustus 2021

Over Désanne van Brederode die in #nietmijnantroposofie opvoert dat corona antroposofen in extreemrechtse armen drijft.

artikelen - 16 juli 2019

Het Louis Bolk Instituut slaat haar tentakels uit door allerlei alternatieve behandelmethoden te promoten met hulp van o.m. universiteiten.