Addendum bij biografische schets Dr. J. Samuels, no 2 van de Toptwintig

In juni 2004 ontvingen wij een schrijven van zijn dochter, mevrouw Sonja Vetter-Samuels. Zij liet ons weten dat onze schets zowel incompleet als incorrect was. Niet correct was volgens haar dat haar vader in Duitsland meerdere veroordelingen achter de rug had. Wij konden dit gegeven niet baseren op harde bronnen en willen van Vetter-Samuels aannemen, dat dit feit niet klopt. Wij bieden daarvoor aan haar onze excuses aan. Van haar vader’s levensloop gaf Vetter-Samuels de volgende samenvatting:

Geboren op 15-01-1888 in Paramaribo en op 2-08-1975 gestorven in Amsterdam, begraven op Gan Hasjalom in Vijfhuizen.
Ten tijde van mijn vader’s jeugd was er behalve een MULO geen ander middelbaar onderwijs in Suriname. Hij volgde dus de MULO en daarna de opleiding tot chirurgijn. Zijn vader was hoofdonderwijzer, toneelschrijver en columnist (zie Michiel van Kempen – De geschiedenis van de Surinaamse literatuur – 2003 onder het lemma “Jacques Salomon Samuels). Na zijn militaire dienst in Suriname werd hij door twee gefortuneerde ooms in staat gesteld verder te studeren aan de Universiteit van Amsterdam (toen nog Gemeentelijke Universiteit) waar hij in 24 maanden zijn artsexamen haalde. Toentertijd gold dat je niet kon promoveren in Nederland, wanneer je geen gymnasiumdiploma had. Hij vertrok dus naar Gent waar hij summa cum laude promoveerde in de geneeskunde. Vanwege zijn briljante studie werd hij uitgenodigd in Berlijn om zich te specialiseren tot chirurg bij de beroemde hoogleraar Buhm. In 1912 had hij dit afgerond. Aangezien zijn ooms hun lening op korte termijn terug wilden hebben, tekende hij als officier van gezondheid voor 10 jaar bij het KNIL. Hij werd in 1913 in Atjeh geplaatst. Hij huwde met de handschoen met de dochter van een Duitse staalmagnaat, die hem naar Indië volgde.
Tijdens zijn periode in Indië wist hij een privé-praktijk op te bouwen in Magelang en zich ook verder te specialiseren tot vrouwenarts. Dit onder leiding van ervaren KNIL artsen. In die tijd was er nog geen sprake van specialistenregisters e.d. Buitengewoon succesvol kon hij zich voortijdig uitkopen uit het KNIL en zich vestigen als chirurg en vrouwenarts eerst op Sumatra later in Semarang op Java. Diverse malen werd er in de kranten gewag gemaakt van de jonge arts vanwege zijn handelen met betrekking tot de Spaanse Griep en de aanpak van parasitaire aandoeningen: in zijn district stierven de minste patienten aan de gevreesde ziekte en aan Kala-Azar. Hij kreeg drie kinderen waarvan er 1 overleed. In de jaren twintig gaf zijn vrouw te kennen terug te verlangen naar Duitsland. Aldus geschiedde: men vertrok in 1924 naar Berlijn waar net de grote naoorlogse crisis aan de gang was. In Duitsland gold dat hij zijn artsexamen moest overdoen en aangezien hij daar weinig trek in had, kocht hij van het gespaarde geld een Kurhaus in Bad Oldesloe. Van 1925 – 1930 oefende hij min of meer succesvol het beroep van Kurhausdirektor uit. Het werd echter steeds moeilijker om als jood dit beroep uit te oefenen in dit kleine stadje. Zijn huwelijk liep op de klippen en hij vertrok naar Berlijn alwaar hij makelaar werd en met mijn moeder ging samenwonen. Zij was studente economie. In 1933 werd hem duidelijk gemaakt dat hij groot gevaar liep en hij vluchtte halsoverkop met mijn moeder via Kopenhagen naar Londen waar ze gehuwd zijn. In 1935 vertrokken ze naar Parijs, aangezien hij bij Prof. Dausset een baan kon krijgen: hier leerde hij de radiotherapie kennen en was dit nu maar niet gebeurd dan zou zijn levensloop er anders uitgezien hebben. In 1936 vertrokken ze naar Amsterdam waar hun neef Herman Polak hen huisvestte in het pand Weteringschans 73. Toen moest hij zich ook inschrijven in de specialistenregisters en voor hem, die zich jarenlang bekwaamd had en bewezen had als chirurg en vrouwenarts was dit onverteerbaar. Onverstandig uiteraard. Hij vestigde zich als chirurg, vrouwenarts en voegde daar endocrinoloog aan toe, omdat hij zich in Parijs in die richting had ontwikkeld en met de daar opgedane kennis patiënten wilde gaan behandelen. Met Enraf-Nonius sloot hij een contract om hem apparaten te leveren waarmee hij volgens zijn zienswijzen patiënten kon behandelen tegen kanker. In de oorlog die uitbrak, werden twee dochters geboren en mijn vader zorgde ervoor dat de familie voorzien werd van het Callmeyer stempel waarmee deportatie werd voorkomen.
In 1946 begon hij de praktijk van voren af aan en patiënten stroomden toe: de grootste particuliere praktijk van Nederland. Men stond tot aan de hoek te wachten, een vreselijke toestand dus, waar terecht over geklaagd werd. In 1948 verhuisde hij naar het enorme huis op het Museumplein en in 1950 kreeg de schoolarts Brutel de la Rivière de opdracht de zaak te onderzoeken als inspecteur Volksgezondheid. In dat jaar werd een derde dochter geboren. Na diverse berispingen en korte schorsing, volgde schorsing voor het leven in 1955.
Het huis werd verkocht en twee andere huizen gekocht. Het gezin moest voortaan van de huuropbrengst leven en in 1956 kwam daar de AOW nog bij. Hij ging onverdroten door met zijn strijd, aangezien hij volkomen overtuigd was van zijn gelijk. Hij was een levensgenieter, dictatoriaal, kon geen gezag verdragen en was absoluut overtuigd dat, net als Semmelweis, hij ook eens erkend zou worden. Het is allemaal tamelijk tragisch, hoewel hij geen tragische figuur was: hij danste tot op 80-jarige leeftijd iedere zaterdagavond de hele nacht. Er zou over zijn leven gemakkelijk een film kunnen worden gemaakt, want hierboven is nog maar een kwart beschreven. In 1974 brak hij zijn heup en, niet verzekerd, weigerde hij operatie. Hij stierf op 2 augustus 1975 aan de gevolgen hiervan: hij kreeg trombose.

Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij

Schrijf je in en ontvang het Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij (NTtdK).

Word lid east
Kwakzalverij