Prentententoonstelling laat kwakzalverij in tandheelkunde zien

De Kunsthal Rotterdam toont in 250 prenten de ontwikkeling van de tandheelkunde met de tentoonstelling ‘Kwakzalvers en Tandentrekkers’.
Door: Van de Webredactie | Geplaatst: 3 okt 2016 | Laatste Wijziging: 4 okt 2016

De tandheelkunde is, zoals veel andere vormen van geneeskunde, lang in handen geweest van kwakzalvers en charlatans, zo blijkt uit de tentoonstelling ‘Kwakzalvers en Tandentrekkers’ die sinds 3 september te zien is in de Kunsthal Rotterdam.

Bijna 250 (vaak veelkleurige) prenten en diverse instrumenten en objecten laten zien hoe kunstenaars tussen 1470 en 1870 het werk van kiezentrekkers en charlatans hebben verbeeld. Een man die zijn hand in de keel van een patiënt steekt terwijl een ravage aan getrokken tanden aan zijn voeten ligt. Een man die grinnikend zijn voet op de kin van een patiënt plaatst om meer kracht te kunnen zetten en met een touwtje een tand uit diens gebit te trekken. Een kermisachtig tafereel waarin een kwakzalver een tand aan de menigte toont terwijl de patiënt naar zijn wang grijpt. Het zijn enkele voorbeelden van prenten die in de Kunsthal Rotterdam zijn tentoongesteld.

Het boek ‘Tandheelkunde in de prentkunst’ (2014) van gepensioneerd kaakchirurg Gert Schade vormt de leidraad voor de tentoonstelling. http://thoth.nl/Rubrieken/Kunst/Tandheelkunde-in-de-prentkunst-275-prenten-in-100-taferelen De prenten zijn afkomstig uit de collectie Kalman Klein, met ruim 400 prenten de grootste tandheelkundige prentencollectie ter wereld. De collectie is in bezit van de Koninklijke Nederlandse Maatschap ter bevordering van de Tandheelkunde (KNMT). Kalman Klein (1885-1947) was een Oost-Hongaarse ‘technieker’ die begin twintigste eeuw in Nederland zijn fortuin vergaarde met het afbakken van porseleinen kronen. Hij legde een grote verzameling aan, waarvan de boekencollectie in de jaren ’60 is gekocht door de Universiteit van Utrecht. De KNMT kocht voor 40.000 gulden de prenten en instrumenten uit de collectie.

21 Thomas Rowlandson KwakzalversTandentrekkers KunsthalRotterdam

Dr. Gert Schade heeft de collectie geselecteerd, beschreven en geïnterpreteerd. In 2006 is hij daarmee begonnen. “Ik heb mij voor het boek en de tentoonstelling gericht op de periode tot aan 1870, toen het daarna technisch gemakkelijker werd om prenten te maken die in meerdere exemplaren konden worden verspreid. De oudere en dus zeldzame prenten die sinds het begin van de boekdrukkunst zijn gemaakt, heb ik samengebracht,” vertelt Schade. De prenten zijn in vier hoofdstukken ondergebracht te beginnen met de marteling en de verering van de Heilige Apollonia, de beschermheilige van tandartsen en vooral de lijders aan kiespijn. “Nog altijd wordt zij in de wat primitievere landen waar de tandheelkunde nog niet zover is als in de westerse wereld, aangeroepen. Denk aan het Midden-Oosten, China, Indonesië en de Afrikaanse landen,” zegt Schade. “Men denkt: baat het niet dan schaadt het ook niet.”

Het tweede hoofdstuk betreft de prenten van markt-scènes. “De kennis van de tandheelkunde kwam pas rond 1600 op,” vertelt Schade. “Tandproblemen kwamen zeer veel voor en iedereen kreeg er mee te maken. Op marktpleinen trof men altijd wel iemand aan die van iemands pure wanhoop gebruik maakte en die een zelf bedachte therapie aanbood en intussen de beurs spekte.” In die tijd was het idee er geen bloedvaten en zenuwen in tanden en kiezen aanwezig waren. Kwakzalvers, zonder enige kennis van hygiëne, verdoving of goede instrumenten, maakten van het tandentrekken een ludieke attractie voor het publiek. Men geloofde van alles: als wormen gaatjes in houten stoelpoten konden knagen, waarom zouden zij dan ook niet de veroorzakers van gaatjes in het gebit kunnen zijn? Niemand had ooit tandwormen, toch werden die overal bestreden.

Kwakzalvers waren van alle markten thuis. Schade: “Bij gektes dacht men dat iemand een steen in het hoofd had. Een charlatan deed dan een trucje en onderzocht het hoofd om daarna een steentje tevoorschijn te toveren: voilà, de gekke was genezen.” Na de markt-scenes gaat de prentkunst geleidelijk over in salon-scènes, waar chirurgijnen na veel oefenen en met steeds beter instrumentarium enige behendigheid hebben gekregen in het behandelen van tandproblemen. De laatste sectie van de tentoonstelling bevat spotprenten. “Men maakt gebruik van het duidelijke lijden aan kiespijn om bijvoorbeeld in overdrachtelijke zin de spot te drijven met politiek, religie, etc”, zegt Schade.

20 Honore Daumier KwakzalversTan dentrekkers KunsthalRotterdam

Resultaten van de kwakzalverij zijn nog altijd terug te vinden in de tandheelkunde. Schade: “Ik moet denken aan de Duitse dokter Eisenbarth. Hij leefde van 1663 tot 1727 en was een zogenaamde ‘Wanderartz’ die met een groot gezelschap van stad naar stad trok en onder andere een zelf gebrouwen ‘elixer’ verkocht. Het drankje bestond voornamelijk uit ‘theriak’ , een uit zo’n tachtig ingrediënten samengesteld ‘medicijn’ waarin onder andere addervlees voorkwam (in Venetië werden hiervoor speciaal addertuinen aangelegd). Dit uiterst dubieuze mengel werd praktisch tegen alle kwalen voorgeschreven, waaronder kiespijn, en werd derhalve vaak door de meest idiote kwakzalvers voorgeschreven. Typisch voor Duitsland is het feit dat het via de apotheek nog steeds wordt aanbevolen.”

De tentoonstelling ‘Kwakzalvers en Tandentrekkers’ is tot 4 december te bezoeken.

 

Lees ook