S

Encyclopedie: Steiner, Rudolf (1861-1925)

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen

30 apr 2009 | Van de Webredactie | Laatste wijziging: 28 aug 2010

Oostenrijks filosoof, mysticus en grondlegger van de meest wijdverbreide, nog springlevende occulte leer: de *antroposofie.


Rudolf Steiner

Steiner werd geboren te Kraljevec (een grensplaatsje in het huidige KroatiŽ, aan de spoorlijn Nagykanisza-Cakovec). Zijn ouders verhuisden naar Wenen, waar hij ging studeren aan de Technische Hogeschool. In zijn autobiografie schrijft hij dat hij als kind al mystieke ervaringen had en dat hij veel leerde van een Weense kruidenverkoper, Felix Kogutski. Hij worstelde met de evolutieleer in de versie van Ernst *Haeckel (die hij probeerde te verenigen met zijn mystieke inzichten) en ontwikkelde een grote affiniteit voor de *Naturphilosophie van Johann Wolfgang von *Goethe. In zijn Weense tijd maakte hij kennis met het werk van Madame *Blavatsky en van A.P. Sinnett (*theosofie), maar afgezien van Blavatsky's The secret doctrine (1888) zat er wat hem betreft weinig waardevols tussen.

Al jong had hij zo'n reputatie opgebouwd als Goethekenner dat hij in 1882 gevraagd werd mee te werken aan een uitgave van diens natuurwetenschappelijke geschriften in de Goethe-uitgave van KŁrschners Nationalliteratur, en in 1890 werd hij medewerker van de Sophien-Ausgabe van het volledige werk van Goethe. Steiner verhuisde hiervoor naar Weimar, naar het Goethe-archief. Daar woonde hij in bij de weduwe Anna Eunicke, geboren Schultz (1853-1911).

In 1891 promoveerde Steiner op een kennistheoretisch proefschrift aan de universiteit van Rostock, en in 1894 publiceerde hij Die Philosophie der Freiheit, een van zijn helderste boeken. In dit boek onderzocht Steiner onder meer het menselijk kenvermogen en de vraag of de menselijke vrijheid een illusie is omdat men niet kan inzien dat alles wat men doet en wil door natuurlijke oorzaken bepaald wordt. Deze beschouwingen mondden uit in Steiners visie op de ethiek: het ethisch individualisme. Steiner betoogt hierin dat de mens aanleg heeft tot een volledig in zich gesloten, vrije individualiteit, en dat hij zich in principe vrij kan maken van binding aan ras, stam, volk en familie.

Anna Eunicke vertrok naar Berlijn en Steiner volgde haar toen zijn werk te Weimar was afgerond. Ze trouwden in 1899. In Berlijn ontwikkelde Steiner zich tot een bekend, actief publicist en redenaar met socialistische sympathieŽn. Tot 1904 was hij leraar aan de vormingsschool voor Berlijnse arbeiders. Rond 1900 werd hij door de Duitse theosofenvereniging-in-oprichting voor een lezingenreeks uitgenodigd (over de mystiek in het moderne geestesleven). Op een keer bevond Marie von Sivers (1867-1948) zich onder het gehoor, en deze begenadigde spreekster werd kort daarop voorzitster van de Duitse afdeling van de *Theosophical Society. Spoedig werd hij innig bevriend met haar en ook zijn occulte belangstelling herleefde. (Zijn huwelijk met Anna liep in 1906 op de klippen en in 1914 trouwde hij in het geheim met von Sivers.) In juli 1902 nam hij tijdens een theosofisch congres te Londen het voorzitterschap van de Duitse afdeling op zich. Zijn overstap naar de theosofie was nu compleet. Zijn ster rees daarna gestaag. Tijdens een theosofische conferentie te Parijs in 1906 trokken zijn lezingen meer belangstelling dan het officiŽle programma.

Steiner moest niets hebben van de oosterse inslag van mensen als Annie *Besant, en de schandalen rond Charles *Leadbeater wekten zijn verontwaardiging. Hij kreeg ruzie met de traditionele Duitse theosofen onder leiding van de ongure Franz Hartmann (1838-1912), en langzaam groeiden de Duitse beweging en de Indiase moederorganisatie uit elkaar. In 1910 was de breuk een feit, kort na de uitverkiezing van *Krishnamurti. Steiner kon het niet verteren dat Krishnamurti werd voorgesteld als een soort wedergekomen Christus.

In 1913 herdoopte Steiner zijn afdeling tot Antroposofische Vereniging. Daarna was zijn leven gevuld met het geven van lezingen en het ontwerpen van zijn kosmische tempel, het Goetheanum, een opmerkelijk gebouw, bestemd voor bijeenkomsten en theateropvoeringen, in het Zwitserse Dornach. Het werd in 1920 geopend, maar het grotendeels houten gebouw ging in de oudejaarsnacht van 1922 in vlammen op. Een tweede Goetheanum, voornamelijk bestaande uit beton, en na Steiners dood voltooid, vormt nu nog steeds het hoofdkwartier van de antroposofische beweging.

Steiner hield zich veelal verre van politiek, maar tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog, toen het Tweede Keizerrijk ten onder ging, richtte hij zijn aandacht op sociale en politieke kwesties. In enkele pamfletten schetste hij een 'drieledige maatschappij' waarin spirituele vrijheid, politieke gelijkheid en economische broederschap met elkaar in evenwicht dienden te blijven. Steiner zocht contact met de Duitse rijkskanselier Prins Max von Baden en mogelijk stuurde hij ook een en ander naar de laatste Oostenrijkse keizer, Karel IV (van Hongarije). Veel heeft het allemaal niet uitgemaakt. Na de oorlogsjaren richtte hij zich op de organisatie van de antroposofische beweging, die in die jaren sterk groeide.

In de zomer van 1923 kreeg Steiner last van hevige aanvallen van buikpijn. Wat hem mankeerde is niet bekend, een reguliere diagnose is nooit gesteld. Ironisch genoeg viel zijn ziekte vrijwel samen met de oprichting van de Medizischen Sektionskreis in Dornach (met tien artsen), en de oprichting van het antroposofisch farmaceutisch bedrijf Weleda. Steiner schijnt zijn ziekte in verband te hebben gebracht met occulte krachten.

Steiners literaire nalatenschap omvat een twintigtal boeken, enige toneelstukken en vele artikelen, maar ook de teksten van ongeveer 6000 voordrachten die door zijn volgelingen ijverig gestenografeerd zijn. In deze voordrachten komen veel uitspraken over rassen voor die tegenwoordig als racistisch zouden worden beschouwd. Steiner vond bijvoorbeeld dat joden moesten integreren in de maatschappij, en hij meende dat het 'jodendom' een achterhaald verschijnsel was ('de joodse denkwijze heeft een geheel onbruikbaar geworden ethisch ideaal'). Hij had dus ook niet veel op met zionisme, maar een antisemiet was hij niet, integendeel. Hij spande zich enorm in om het jongste kind Otto (1873-1915) van de joodse familie Specht bijles te geven (Otto had een waterhoofd en een grote leerachterstand, maar werd later arts). Tijdens het proces tegen de jood Dreyfus nam Steiner het voor deze op en hij publiceerde ook in de Mitteilungen aus dem Verein zur Abwehr des Antisemitismus.

Literatuur
Ahern, G., Sun at midnight. Wellingborough, 1984.
Heijder, W., 'Een wereldhistorische fout; Rudolf Steiner en het antisemitisme', Skepter 1997, vol. 10 (4), p. 12-14.
Heijder, W., 'Bezwaarlijk, onjuist en beledigend; discriminatie bij Rudolf Steiner', Skepter 1998, vol. 11 (1), p. 16-18.
Wachsmuth, G., Das Wirken Rudolf Steiners 1917-1925 (heruitgave). Dornach, 1987.

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen, door Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys (vierde herziene druk, De Geus, 2002).

 

 

GERELATEERDE ARTIKELEN

NIEUWSBRIEF AAN- OF AFMELDEN

De Digitale Nieuwsbrief van de VtdK houdt u regelmatig op de hoogte van nieuwe artikelen op deze site. Vul uw e-mailadres in en meld u aan!
Uw e-mailadres: 
Aanmelden Afmelden